29. Vlucht OK-NUL boven artikel 16. In Afrika 1

Het is vol bij Nest. Een gemêleerd gezelschap is komen opdagen voor een gesprek in het kader van de serie Hollandse Meesters. Deze keer met Joost Conijn (1971, Amsterdam), aangekondigd als kunstenaar en avonturier. De laatste kwalificatie vindt hij een minder goed etiket, zoals hij al onmiddellijk aangeeft. Als opwarmer krijgen we een documentaire over de kunstenaar voorgeschoteld: een gesprek op Het Domijn, zijn werkplek in Weesp, vermengd met flarden van beelden uit films over enkele kunstprojecten. Zo worden we al meteen in zijn baanbrekende, ja verbijsterende werk meegezogen. De kunstenaar op zijn buik, liggend op een vierwielige brommer, die uit twee delen bestaat en door zijn lichaam, dat als chassis fungeert, één geheel wordt; zo draait hij op het dak van de Rietveld Academie zijn rondjes. Of we zien hem met een oude Peugeot midden in de woestijn van Marokko door een hek rijden, dat zich bij nadering vanzelf opent. Dan wel aanschouwen we zijn verkenning van Oost-Europa met een houten auto, die op houtgas rijdt. En herkennen we een van zijn vele bewonderaars, schrijver A.L. Snijders, die ons uitnodigt toch vooral kennis van Conijns werkstukken te nemen. Zelf leest de kunstenaar in zijn atelier voor uit zijn boek Piloot van goed en kwaad (2012), het relaas van zijn vlucht naar Afrika in 2010. Ik voel me ineens alleen achterblijven, thuis met mijn eigen vertrouwde gewoontes, achter de computer en koffie op zijn tijd. Het komt me bij het zien van Conijns beelden onzinnig voor. Hier zit een kunstenaar met een ongelofelijke drang naar vrijheid en een fascinatie voor andere werelden. Voor Joost Conijn is het kunstenaarschap een allesomvattende zaak. Zonder uitzondering maken het bedenken, ontwerpen, uitvoeren en het zelf daadwerkelijk maken van werkstukken, zijn reizen, het filmen, fotograferen en schrijven er integraal deel vanuit: ‘Allemaal even interessant om mee bezig te zijn’.

26. Malou Cohen tekening bij Nest (bij Moerdijk) 10
21. Hout Auto 3 7
Malou Cohen, tekening n.a.v. de noodlanding bij Moerdijk, april 2015 (lb)
De vierwielige fietsmotor, atelier Sandberg Instituut, 1996 (rb)

Hout Auto, 2001 (lo)
Ergens boven de bergen, 2010 (ro)

De tocht van de kunstenaar naar Afrika in zijn zelfgemaakte vliegtuig neemt het grootste deel van het gesprek bij Nest in beslag. Vlucht OK-NUL 43 (Oscar Kilo fourty-three), vertrek Lelystad Airport met als eindbestemming Kenia. Met ontelbare tussenstops in Marokko en Mauritanië en in gevaarlijker en gewelddadiger landen als Nigeria, Tsjaad, Zuid-Soedan, Centraal-Afrikaanse Republiek en Oeganda. In de laatste twee moest hij zijn toestel enige tijd aan de grond houden, in Oeganda belandde hij zelfs als vermeende terrorist in de cel, verdacht van spionage. Een vlucht van 4 maanden, die hem al na 100 km wegens klein motorpech tot een noodlanding dwong, in een weiland nabij een boerderij, in de buurt van Moerdijk. Voor Joost Conijn een doemscenario, waarin hij zijn jarenlange voorbereidingen de mist in zag gaan als de politie zijn vliegtuig zou ontdekken en in beslag zou nemen. Een toevallige passant, met toevallig ook het juiste gereedschap hielp de kunstenaar uit de brand: een kwestie van een scheef zittende olie-keerring rechtzetten en een moer aandraaien. Stel je voor dat hij de sensatie van die vliegreis toen al zou hebben moeten opgeven, terwijl hij nog maar net de daad bij het woord gevoegd had. Nadat het karwei was geklaard, bleken de boer en zijn vrouw zeer genegen het verkeer op een geasfalteerd achterafweggetje even tegen te houden, waardoor de kunstenaar en zijn kompaan Ward Weemhoff – hij zou Conijn tot Agadir vergezellen – weer het luchtruim konden kiezen en hun vlucht vervolgen. Contact heeft de kunstenaar nooit meer met het boerenechtpaar gehad; de bewuste plek zou hij trouwens nooit kunnen terugvinden, denkt hij.

12
15-4 30
Vliegveld Lelystad, 2010 (boven)
Joost Conijn in een Oegandese cel, 2010 (ro)

Met het zelf bouwen van een vliegmachine had Joost Conijn al de nodige ervaring opgedaan. ‘Met veel werklust’ werkte hij ruim één jaar in De Fabriek in Eindhoven aan zijn eerste vliegtuig, dat zijn première daar in 1999 op het dak van beleefde, waarna het in een loods op het Amsterdamse ADM-terrein vliegklaar gemaakt werd. Gedemonteerd vervoerde de kunstenaar het vervolgens achter zijn auto naar Marokko, naar de Sahara, een geschikte locatie om het uit te testen. Zo kon hij mooi onder de Nederlandse regelgeving uit komen. Hij kreeg er met weerbarstige omstandigheden te maken. Zandstormen, hitte en vorst moest hij trotseren om te kunnen vliegen. Toen het motorblok bevroren raakte moest hij de hulp van zijn vader inroepen, die niet te beroerd bleek hem vanuit Nederland een nieuw motorblok te bezorgen. Pas daarna kon hij 300 meter de lucht in. Zijn vader bleef en zou hem op de voet blijven volgen. Ook in Tsjechië, waar Conijn maanden achtereen als een artist-in-residence op een klein verlaten vliegveld bivakkeerde om er aan de bouw van zijn tweede vliegmachine en de film Vliegtuig te werken. ‘Hij luistert en denkt mee. Hij is een plezierig man. Ik weet me geen raad. Hij was nooit zo’, schrijft hij sensitief over zijn vader. Het is een van de zeldzame intieme blikken die de kunstenaar ons op zijn wereld gunt.

11 19
Aan het werk in Tiniste, Tsjechië, 2004
Vliegbrevet

Weerbarstige omstandigheden. Joost Conijn leeft erop en wat kan hij er onderhoudend en aanstekelijk over vertellen. Bij binnenkomst in Nest kijkt hij de kat nog uit de boom en komt hij ietwat stug en bedeesd over. Gaandeweg ontdooit hij tijdens het gesprek en geraakt hij in zijn element. Soms lijkt hij even van een vraag op te schrikken. Over zijn antwoorden denkt hij bedachtzaam na, doch steevast breekt een brede grijnslach door, ook bij interviewer Eelco van der Lingen, die tijdens het gesprek alsmaar roder aanloopt en het steeds warmer lijkt te krijgen. Het aanwezige gehoor hangt aan Joost Conijns lippen, niet in het laatst bij zijn betoog dat regels hem in de kunst maar al te statisch zijn en hij als kunstenaar immer gefocust is op het realiseren van zijn plannen, niet huiverig daarbij grenzen te overschrijden. Zijn motto lijkt te zijn: regels zijn er om overtreden te worden. Bij de politie-opleiding was hij zelfs een geziene gast om agenten in spe uit te leggen hoe je allerlei regels het beste kunt omzeilen. Als je echt iets wilt maken en mensen bij voorbaat al zeggen: ‘Dákannie’ of ‘Dámagnie’ dan moet je je oren daarvoor dichtstoppen, zegt hij erover. Een van de meest originele voorbeelden dat hij zonder blikken of blozen geeft: het eigenhandig en duidelijk zichtbaar veranderen van de datum op een visum, omdat een reis onderweg vertraging opliep.

27. Malou Cohen bij Nest (visum) - kopie 27A
Malou Cohen, tekening n.a.v. verandering visum, april 2015 (l)
Visum aangepast! (r)

Om voor mij ondoorgrondelijke redenen volgt Joost Conijn zijn hart en laat hij zich niet wegleiden naar een doorsnee-leven van een gemiddelde kunstenaar, met iets meer burgerzin. Niet gespeend van enige waaghalzerij, maar niet roekeloos, volgt hij onverstoorbaar de roep van het heilige vuur, een opwindend verlangen naar gevaar, waarbij het risico van een ongeluk altijd op de loer ligt. Het verzet tegen mislukkingen met een drang tot zelfbehoud vormt een cruciale drijfveer in zijn kunst. Angst om tijdens een vlucht neer te storten drukt hij weg door de wil om te overleven. Hij is trouwens ook een keer daadwerkelijk neergestort, in een Tsjechisch maïsveld. Zelf kwam hij er zonder kleerscheuren af, maar zijn kunstwerk lag wel in duigen. Het luchtte hem eigenlijk op: ‘Je moet door de angst heen om erdoor bevrijd te worden’, beweert hij bij Nest. Of zoals hij het neerschrijft: ‘De angst verdampt wanneer je op het gevaar afgaat. Ik ben door de angst heen gegaan. Je ondergaat iets waardoor alles inzichtelijker wordt’. Angst, nervositeit, moed verzamelen, hij moest er vooral in het begin van zijn oversteek naar Afrika doorheen, de eerste dagen langzaam zijn zelfvertrouwen opbouwen. Zag hij mensen beneden zich, dan voelde hij zich beter op zijn gemak. Gedachten aan een noodlanding in de woestijn of de jungle zullen tijdens de vlucht door zijn kop spoken. Hij kon nog wel eens terugdenken aan François, met wie hij voor het eerst vloog, maar die uiteindelijk is verongelukt.

28. Malou Cohen, aantekening bij Nest over neerstorten 9
15. In Afrika 24. Bij Nest
Malou Cohen, tekening n.a.v. het neerstorten door Joost Conijn in Tsjechië, april 2015 (lb)
Eelco van der Lingen bevraagt Joost Conijn, 16 april 2015. Foto: Nest (ro)

‘Iets worden’, was niet aan Joost Conijn besteed. Hij belandde op de Gerrit Rietveld Academie, waar hij zijn opleiding overigens niet voltooide, en maakte daar al snel een filmpje van een zelf gebouwde auto. De tocht die hij daarmee ondernam, liet hij voor alle zekerheid in België beginnen, bang als hij was dat hij in Nederland van de weg gehaald zou worden. In België kon hij in het ergste geval verklaren dat hij met die wagen uit Nederland was komen rijden, de autoriteiten zouden hem vermoedelijk dan niet zoveel in de weg leggen. Over moeilijkheden die hij op zijn tochten kan ondervinden, wil de kunstenaar van tevoren niets weten. Het zou hem maar met redenen opzadelen om niet te gaan: ‘Ik reis onwetend’ is zijn credo. Zijn professionele opleiding tot kunstenaar vervolgde hij in 1995 aan het Sandberg Instituut, de tweede fase. Daar bleek hij een nog creatievere geest met een overdadige interesse in techniek, die hij in kunstprojecten kon gebruiken. Zo produceerde hij een fiets die alleen achteruit kon rijden. Omdat je zo als een blinde moest fietsen, vergezelden hem altijd een of twee begeleiders, die de voor hem onzichtbare gebeurtenissen in de gaten moesten houden. Waren die ongeconcentreerd of afgeleid, dan kon de kunstenaar zomaar van de weg knallen, hetgeen ook prompt gebeurde toen hij op zo’n experimentele fietstocht in de duinen bij Den Haag op Duitse toeristen botste. In de Sahara bouwde hij een hek van portieren en spatborden van een gesloopte Citroen DS Break. Met zijn oude Peugeot reed hij erop af, over een betonijzeren constructie, waardoor de poort zich middels een veermechaniek opende en hij weer vrij baan kreeg. Met een brede boog kwam hij uiteindelijk tot stilstand, bijna verlegen lachend in de camera kijkend: hij heeft ’t ’m geflikt! Hoe ontroerend is het beeld in de film van de Marokkaanse motorrijder met leren jas, zonnebril en dikke handschoenen, die serieus op de vraag van Joost Conijn ingaat of hij in die onbegrensde ruimte van de Sahara voor het hek een beautiful place weet! In het boek IJzer en video verhaalt de kunstenaar over de ontberingen in Senegal waar hij als outsider aan een wielerronde deelnam. Een ware uitputtingsslag, die hij levend op bananen en cola in de bidons overleefde, ondanks een gebroken stuur na een val door een gat in de weg. Het liefst had hij zogenaamd gewond in de koersziekenauto willen gaan liggen, naast de echt gewonde renners.

13. Hek, Marokko, 1997 14. Het hek 2
C’est une Hek, Marokko, 1997

In november 2002 bezocht ik Joost Conijn in zijn woonwagen op het ADM-terrein in het Westelijk Havengebied van Amsterdam, een braakliggend, gekraakt terrein voor stadsnomaden. Een troosteloos uitgestrekt gebied: opgespoten zandplaten, zandkuilen en bergen oud ijzer, hout en sloopmaterialen. Samen met kunstenaar Moritz Ebinger was ik op zoek naar kunstprojecten voor de Haagse Vinexlocatie in Ypenburg. Om deel uit te maken van de Haagse stedelijke ontwikkeling exploiteerde Heden (voorheen Artoteek Den Haag) hier het kunsthuis 7X11, waar kunstenaars kunstprojecten uitvoerden voor en in samenwerking met de nieuwe bewoners. Strandbeestkunstenaar Theo Jansen met wiens mentaliteit Joost Conijn zeker verwantschap vertoont, woonde enige jaren in het woonhuis van 7X11 en had op een van de Ypenburgse wallen zijn atelier. Theo Jansen en Joost Conijn genoten begin deze eeuw in de kunstwereld al behoorlijk wat bekendheid, Jansen vanwege de evolutie van zijn strandbeesten, Conijn vanwege zijn houtauto, waarmee hij een lange reis had ondernomen naar de donkere randen van Oost-Europa, onbekende plaatsen in onder meer Roemenië, Moldavië en Albanië. Om uiteindelijk in de verboden zone rond de ontplofte kerncentrale in Tsjernobyl binnen te dringen. Ook zo’n pioniersreis waarmee Conijn dit zwarte deel van Europa zichtbaar maakte. De houtwagen, een oude citroen DS, beweegt zich voort met hout als brandstof, volgens een oude techniek het beste op beukenhout, dat in een aanhangwagen werd meegevoerd. ‘De auto beweegt zich door Europa van voorval naar voorval’, schrijft de kunstenaar erover. De reizen van Joost Conijn zijn een aaneenschakeling van onvoorziene gebeurtenissen. In de film zien we de houtwagen veelal op het platteland, waar het hout te halen is, altijd omgeven door een stoet mensen. Door de lokale bevolking wordt hij doorgaans hartelijk en gastvrij onthaald. Boerinnen steken hem een helpende hand toe bij het aanduwen van zijn wagen, de kunstenaar zet zich tevreden met hen aan het ontbijt, zonder ook maar een woord te verstaan, laat staan te begrijpen. ‘Het is wel eens fijn als je mensen niet kunt verstaan, vaak ben je snel uitgepraat als je ze wel verstaat’, zegt hij er bij Nest over. Dat kwam hem bijvoorbeeld goed van pas bij douaniers in Montenegro, het enige land waar de grens niet gemakkelijk voor hem openging. Hij moest er ‘zwaar’ onderhandelen en trucjes vinden om de douaniers af te leiden, bijvoorbeeld door vragen te stellen in de trant van ‘Hoe kan ik het best naar de hoofdstad rijden?’. Dit kunstproject met de houtwagen lijkt op een langdurige performance waarvan de handeling zich iedere keer op een andere tijd en in een andere ruimte afspeelt, een vorm van sculpturaal denken, waarin beeld en ruimte het werk bepalen. Joost Conijn maakt ons er later deelgenoot van. Zijn hang naar avontuur en de ultieme vrijheidsdrang registreert hij in films en verbeeldt hij met foto’s, hier en daar vergezeld van eenvoudige tekeningen en berekeningen. In bondige, heldere teksten, meestal korte zakelijke zinnen, verwoordt hij zijn belevenissen. Erupties van zijn gemoed zul je in zijn teksten niet snel ontdekken.

17 21. Hout Auto 1
21 20. Aanduwen
ADM terrein, 2003 (lb)
Hout Auto in Rusland, 2001 (lo)
Boerinnen duwen de Hout Auto aan, 2001 (ro)

Achteraf bezien had een combi met de kunst van Theo Jansen in Ypenburg niet misstaan. In mijn verbeelding zag ik al een Animaris, voortgetrokken door de rokende houtwagen van Conijn, als metafoor voor het doorbreken van het burgerleven van nieuwe bewoners in een Vinexlocatie. De realiteit was een andere, Joost Conijn had andere plannen in zijn hoofd. Met Theo Jansen deelt Joost Conijn een bijzondere fascinatie voor de vliegkunst. Al vond Theo Jansen zijn eerste vliegtocht maar een teleurstelling, hij had er zich in zijn dromen wel iets anders bij voorgesteld. Maar het daadwerkelijk maken van een vliegtuig is iets dat de kunstenaars met elkaar gemeen hebben, al is dat bij Conijn van een andere orde. Ook bekende vakgenoten als Gerrit van Bakel (al in 1984 overleden) en Panamarenko bewegen zich op het gebied tussen beeldende kunst en technologie, altijd met grote verbeeldingskracht op zoek naar nieuwe uitvindingen en technische uitdagingen. Panamarenko combineert zijn fascinatie voor natuurkunde met die voor luchtvaart en mechanica en fabriceerde diverse propeller- en deltavliegtuigen. Ooit bouwde hij zijn beroemde zeppelin The Aeromodeller, waarmee hij al in 1971, Conijns geboortejaar, de oversteek vanuit België naar Sonsbeek buiten de perken wilde wagen. Maar de Rijksluchtvaartdienst verbood het hem over Nederlands grondgebied te vliegen. Uiteindelijk kon Panamarenko zijn droom om zich te allen tijde vrij door het luchtruim voort te bewegen, nooit realiseren. Gerrit van Bakel liet in zijn werk mooi zien hoe zijn constellaties werkten, bij de Tarim machine bijvoorbeeld, die in 36 miljoen jaar een afstand van circa 1060 km moest afleggen. Net als Van Bakel legt ook Joost Conijn in zijn teksten en tekeningen helder uit hoe mechaniek werkt. Zulke vrije geesten, wellicht ook Jean Tinguely, die jarenlang bewegende kunst maakte middels vliegwielen, krukassen en drijfstangen, moeten belangrijke voorbeelden voor Conijn geweest zijn. Maar vooral de kunst van beeldhouwer en architect John Körmeling inspireerde hem, ook zo’n onconventionele kunstenaar. ‘Hij was net als ik een echte werker, had ook altijd vieze handen. Hij was totaal niet salonfähig en die mentaliteit herkende ik’, zei hij in de NRC over hem. Dankzij Körmeling weet Conijn dat niet alles zuivere kunst hoeft te zijn: ‘Hij is mijn criticus en zijn mening is me dierbaarder dan die van welke recensent dan ook’, benadrukte hij in hetzelfde interview. Het domein van de kunst is de plek die Joost Conijn de ruimte biedt om zich tot de wereld te verhouden, waar hij zijn dromen fysiek kan realiseren, ‘Het domein waar veel regels en conventies niet gelden’. In zijn werk is de relatie tussen vorm en inhoud, kunst en techniek essentieel. Vernuftig in het vinden van technische, dikwijls primitieve oplossingen voor de dingen die hij maakt met een groot geloof in zijn scheppende kracht. Een durfal in het uitvoeren van projecten, die altijd de spanning blijft voelen bij wat hij doet. Niet voor niks zijn gerenommeerde auteurs verzot op de verbeeldingskracht van dit type kunstenaar. In de roman Joe Speedboot van Tommy Wieringa staat Joost Conijn zelfs model voor de hoofdpersoon, H.J.A. Hofland schreef lyrisch over de strandbeesten van Theo Jansen, Leo Vroman dichtte over zijn kunst. En al genoemd A.L. Snijders, die menig verhaal over Joost Conijn schreef.

21. Hout Auto 2 Theo Jansen
23 24
Hout Auto, 2001 (lb)
Theo Jansen met stranddier, Scheveningen, 2013 (rb)
Panamarenko, The Aeromodeller, 1971 (lo)
John Körmeling, Drijvend kassahuisje, Leiden, 2001 (ro)

De vlucht van Joost Conijn in zijn zelf gebouwde vliegtuig naar Afrika moet velen als een modern sprookje in de oren klinken. Je kunt het zo over De Kleine Prins plakken, vertelt hij in Nest op een van de vele vragen uit de zaal. De Kleine Prins is een sprookje van aviateur Antoine de Saint-Exupéry, voor kinderen én grote mensen, die nooit iets uit zichzelf begrijpen en aan wie je altijd alles moet uitleggen. Op 6-jarige leeftijd zet een jongen een schilderloopbaan opzij en leert een ander vak: vliegtuigen besturen. De jonge piloot kreeg een keer motorpech in de woestijn en moest een noodlanding maken. Repareren was een kwestie van leven en dood. Uit het niets verscheen toen de kleine prins, afkomstig van een planeet die hij zorgvuldig schoonhoudt. Met allerlei vragen probeert de jonge piloot achter het geheim van de kleine prins te komen. Die antwoordt nooit op wat je hem vraagt, maar voert hem verhalenderwijs in acht dagen langs andere planeten, om hem zo zijn geheim duidelijk te maken. Om daarna naar zijn eigen planeet te verdwijnen. De Saint-Exupéry schreef De Kleine Prins naar aanleiding van een noodlanding die hij zelf met een kapotte motor in de woestijn moest maken. Pas na vele dagen werd hij eruit gered. Tijdens zijn Afrikaanse vlucht heeft ook dit verhaal menigmaal door Joost Conijns hoofd gespookt.

6 15-1

Over kinderen en grote mensen gesproken: plotseling was er in 2004 de film Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, Dzoel-kifl over kinderen in het Westelijk Havengebied, waar Conijn zelf woonde. Wat een bevrijding ineens, kinderen die van school spijbelen en hun leven een eigen invulling geven. Zo vindingrijk als ze zijn, in hun zoektocht naar avontuur in het dagelijkse bestaan. Een film zonder commentaar, met twee kanten: enerzijds straalt het de ultieme vrijheid uit van het klooien met brommers, het met bijlen mollen van caravans, vuurtje stoken, van de dijk afrollen, bij gevaarlijk drijfzand spelen of met hond Roed ravotten. Anderzijds groeien ze voor de buitenwereld op voor galg en rad. Voor de kinderen zelf is het een sprookjesparadijs. Conijns film roept de vraag op of kinderen net als volwassenen onafhankelijk kunnen leven, ze blijken zelf heel goed te kunnen invoelen tot hoe ver ze kunnen gaan. En de vraag of school en ouders hun alles moeten opleggen. Het is een film die met kinderlijke, maar ook ernstige speelsheid dat het geloof in de kunstenaar zelf weergeeft. ‘Een ode aan het ongecontroleerde’ is de film genoemd.

18.-Film-Siddieqa...etc 18.-Siddieqa...
Stills uit Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, Dzoel-kifl, 2004

Bij Nest gaat het gesprek vooral ook over ontmoetingen. Op zijn reizen kon Joost Conijn zijn samentreffen met passanten doorgaans goed filmen. Het frustreerde hem behoorlijk dat hij daar op zijn tocht naar Afrika maar moeilijk in slaagde. Filmen vanuit het vliegtuig was überhaupt haast onmogelijk; de kunstenaar moest zich uiterst concentreren op de weersomstandigheden en de gedragingen van zijn toestel en hij moest regelmatig eten en water drinken om niet van de hitte flauw te vallen. Bovendien ging het merendeel van de tijd op aan het oplossen van problemen. Op de meeste (militaire) vliegvelden mocht hij geen beelden vastleggen. Voor zijn werk als cineast, cameraman, geluidstechnicus en regisseur tegelijk was dit het meest essentiële onderdeel van het kunstproject. Zijn ervaringen zag hij pas later terug en het gefilmde materiaal stemde hem alsnog tot tevredenheid. Op enkele foto’s uit zijn boek Piloot van goed en kwaad overstijgt de verbeeldingskracht de realiteit: zwevend boven rokende schoorstenen van een kerncentrale, over de Straat van Gibraltar (‘Land in geval van pech altijd dicht in de buurt van een schip’), langs de Marokkaanse kust, het hooggebergte in de verte, tussen wolkenpartijen boven een Afrikaans oerwoud of zijn in de woestijn geparkeerde vliegtuig met veel bekijks van zwarte militairen. En we krijgen een prachtig zicht op de beroemde Hassan II moskee als hij boven Casablanca vliegt, terwijl hij zich in Marokko verre moest houden van de koninklijke onderkomens. Voor dat land, waar hij echt de ruimte had, heeft hij een grote liefde overgehouden. Het is het altijd fijn om het gebed van een moskee daar te horen, zegt hij erover. Zulke beelden wil hij laten zien, en erover voorlezen. We luisteren naar een passage uit het hoofdstuk ‘Landen als een vogel op een paal’ waarmee hij het gesprek bij Nest afsluit, die van een cruciaal moment van zijn vlucht: de sprong over de Straat van Gibraltar, van Europa naar het Afrikaanse continent en hij op de radiofrequentie Marokko moet overschakelen. Een Boeing van Air France zit boven hem in de wolken, maar ziet hij even later beneden hem landen op de lange landingsbaan van Tanger. Daarna is het zijn beurt, nog geheel onwetend wat hem verder allemaal op zijn vlucht te wachten staat.

5 8
16-2 31
Langs de Marokkaanse kust, 2010 (lb)
Boven Rabat, de Hassan II moskee, 2010 (rb)
Landingsbaan in zicht, 2010 (ro)

Avontuurlijke reizen. Dat Joost Conijn ze ook onderneemt vanuit enige wrijving over de situatie in ons land, staat buiten kijf: over het bestaan als kunstenaar in een welvarend land met subsidies en oeverloze regeltjes en papierwinkel, de bureaucratie van de ambtenarij, de kunstenaar ingepakt tussen zijn kunst en geld, het galeriecircuit waaraan hij zich bij voorkeur wil onttrekken. Kunst in het teken van opbrengst, rendementsdenken, toeschouwersaantallen, kom er bij Joost Conijn niet mee aan. ‘Kunst hoort in de eerste plaats iets te zijn wat je doet. Doén en ervoor gaan. Daarna komen de stukken gruis in de staart: galeries, tijdschriften, subsidies, interviews , roem en zelfs macht’, schreef hij al in 1997. Om dan met zijn hang naar een leven in andere werelden uit zijn Nederlandse omgeving vertrekken voelt hij als een bevrijding. In andere landen kunnen dingen anders, en kan hij met andere ogen zijn homeland bezien.

15 16

Al vóór zijn professionele opleiding zocht Joost Conijn de grenzen op door op een zelfgebouwde ligfiets richting India te koersen. Als kunstenaar profileerde hij zich snel en oogstte het nodige succes. Nog maar koud van het Sandberg Instituut af of zijn werk werd al getoond op de Dokumenta X en in de Vleeshal in Middelburg (beide in 1997). Zijn werkstukken genereren publiciteit en resulteren in interviews, recensies en exposities in musea en kunstinstellingen. In beeld en geschrift (meerdere malen is hem gezegd dat hij moest gaan schrijven: ‘Ik vind het moeilijk en ben er niet helemaal over uit’, zegt hij erover), in gesprekken en lezingen maakt hij ons deelgenoot van zijn ervaringen en laat ons meebeleven hoe indringend je existentiële zaken als angst, spanning en geluk kunt ondergaan. Joost Conijn weet zich verbonden met de kijker, in zijn verantwoordelijkheid naar hem toe om het uiterste te verdragen in de worsteling met zand- en wervelstormen, wolkenmassa’s, hitte of droogte. Maar ook in de reactie op volstrekt onbekende, ja absurde omstandigheden waarin hij reizend als kunstenaar belandt. De keerzijde van zijn succes is dat er van alles van hem wordt verwacht, men er voortdurend ‘wat van wil vinden’ en hij immer de vraag op zijn bordje krijgt wat zijn nieuwe project wordt. Joost Conijn geeft zich niet bloot: ‘Je bent als kunstenaar dingen aan het scheppen en dan schep je weer de verwachting dat je van alles gaat maken. Die verwachtingen wil ik niet geven. Wel moet je de dingen die je hebt gedaan achter je laten’. Waarom hij iets doet, weet hij nooit zo goed, maar dat het kunstenaarschap topsport voor hem is, staat buiten kijf. Altijd moet je alert zijn op wat je zegt en doet; het eist hem volledig op. En of zijn werk al of niet als kunst wordt gezien interesseert hem niet zo. Er al veel over uitleggen, ook daar heeft hij weinig behoefte aan.

Laat Joost Conijn maar blijven rommelen, scharrelen en vooral bouwen. Het levert prachtige, eenvoudige, ongepolijste en functionele kunst op, vanuit het hart gemaakt. Met recht mag je hem een hoogvlieger in de beeldende kunst noemen.

1 3. Gesigneerd
Cover van ‘Piloot van goed en kwaad’. Foto: Keke Keukelaar
Gesigneerd! Foto: Nest

Bronnen, waaruit hier en daar geciteerd is:

  • Antoine De Saint-Exupéry, De Kleine Prins. Rotterdam: Ad. Donker, 1951
  • Sandra Smallenburg in ‘Het Voorbeeld’. Magazine NRC Handelsblad, september 2005
  • Joost Conijn, IJzer en Video (Iron and Video). Amsterdam: Valiz, 2007
  • Joost Conijn, Piloot van goed en kwaad. Amsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij, 2012
  • Gesprek Joost Conijn met Eelco van der Lingen bij Nest in Den Haag op 16 april 2015

25.-Met-Joost-Conijn-op-140314-bij-Theo-Jansen
Met Joost Conijn in de Haagse Elektriciteitsfabriek, 14 maart 2014. Foto: Guus Rijven

De afbeeldingen, voor zover de maker niet is vermeld, zijn afkomstig uit het archief van Joost Conijn

6 reacties

  1. Dag Michiel, geweldig hoe je het avontuurlijke en ontroerende beschrijft, het zoeken, prutsen en construeren en zo een eigen realiteit laten ontstaan. Een spiegel voor de totaal dichtgespijkerde en niet te ontlopen ‘echte’ wereld, de grote-mensenwereld waarin helaas meer kapot wordt gemaakt dan opgebouwd. Anarchisme is ook een mooie competentie om maar eens in onderwijstermen te denken.
    Lof en vooral een oproep aan jou om door te gaan met het schrijven van zulke fijne stukken! Groet van Stijn

  2. Weer een lekker leesbaar geschreven verhaal, Chiel. Vanwege regelmatige publicaties over de extreme en spectaculaire kunstuitingen van deze allesdurver was hij mij wel bekend, maar je hebt hem zo indringend beschreven dat zowel zijn filosofieën als zijn vormgevingen me voorlopig weer genoeg bezig zullen houden….
    Groet!
    Addy

  3. En dan is het 25 januari 2018, in de NRC het interview met Joost Conijn die in 2016 illegaal in Franse en Griekse vluchtelingenkampen filmde. Zijn film ‘ Good evening to the people living in the camp’ biedt een blik in het leven van migranten. Gewoon gedaan, gewoon gegaan en niet bang, het motto van Conijn, zoals Sandra Smallenburg schrijft. En Joost hoopt dat met ieder beeld van zijn film een cliché over vluchtelingen sneuvelt. Tot 7 mei draait de film in Museum Boijmans.

  4. In een boek over historische architectuur in Assen (ISBN 90 400 9812 3, Uitg. Waanders, Zwolle, 1996) staat op blz. 52 een zeefdruk afgebeeld waarop een impressie van een paleis dat Napoleon Bonaparte ooit in het Asser Bos had willen bouwen, maar dat nooit is gerealiseerd. Op de voorgrond staat Bartje afgebeeld met een driekantsteek op zijn hoofd. De maker van het kunstwerk staat er ook bij: Joe Speedboot. De zeefdruk werd gemaakt voor de tentoonstelling Verloren Toekomst in 1990, georganiseerd door de Rijksuniversiteit te Groningen. In zijn boek is Joe Speedboot het alias voor een zekere Ratzinger; mijn vraag is: zou deze zeefdruk van Joost Conijn kunnen zijn, die zich destijds misschien van hetzelfde alias bediende?

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *