Geen rode loper voor kunsthistorici

Gewoonlijk ben je geneigd een kunstwerk sec te bekijken, zeg maar compositie, kleurgebruik en dergelijke, de intrinsieke ‘schoonheid’ zien en bovenal wat je al of niet in het werk aantrekt: wat wordt er uitgedrukt? Om vervolgens je mening te vormen. Maakt die je verder nieuwsgierig naar het persoonlijke verhaal van de maker, zijn leven, de ontwikkeling van het werk en zijn artistieke oeuvre? Mij wel, ik leg graag interesse aan de dag voor degene die achter het werk zit, biografieën zijn vaak aan mij besteed.

Al geruime tijd kruis ik het pad van de kunstenaar Chris de Bueger (1948), wiens werk en kunstenaarschap ik altijd met interesse volg en te meer nu ik een biografische tekst van hem onder ogen krijg. Chris de Bueger heeft zijn artistieke sporen ruimschoots verdiend, maar loopt er in al zijn bescheidenheid niet mee te koop. In de vergetelheid raakt hij niet, want hij laat artistiek gezien genoeg van zich horen, al is het niet in brede kring. Een alom gewaardeerde kunstenaar in zijn vakgebied, wiens kunst intrigeert. Iedere keer als ik zijn schilderijen en tekeningen bekijk, stelt het mijn waarneming op de proef. Zijn geschilderde wereld is niet direct herkenbaar, naar enig houvast moet je speuren. Licht en kleur zijn belangrijke motieven in zijn werk, gevoelig als hij is voor het daglicht dat zijn atelier vult. Licht krijgt de ruimte, en hij verankert dat stevig in zijn composities. Dikwijls een wonder van licht, wel in een schemergebied tussen herkenbaarheid en vervreemding. Observaties, herinneringen, invallen, belevenissen of hetgeen toevallig op zijn weg komt legt hij vast in ogenschijnlijk abstracte composities met subtiel kleurgebruik. De laatste jaren zijn dat veelal witte, grijze ruimten in een coloristisch tegenspel van uitgesproken gelen, okers, blauwen, met hier en daar wat roze. Zwarte vlakken kunnen zich dominant openbaren, blauwe en zwarte snippers waaieren over het doek. Daarin figureren silhouetten, staande, liggende of zittende menselijke figuren, maar wie of wat ze representeren blijft mistig. Reflecteert daar de zon op het water? Ontwaar ik werkende mensen in het veld? Door dat openstaande venster zal wel licht naar binnen vloeien. De Buegers verbeelding kan mijn ideeën over plaats en tijd op losse schroeven zetten, en niet alleen de mijne, vermoed ik. De titels die hij aan de begeleidende ‘schriften’ van zijn tentoonstellingen meegeeft doen vermoeden dat zijn werk geen vaste betekenis heeft. Wat te denken van ‘Vloedbos & Dwaalgasten’, ‘Distelpluis’ of ‘Stroef om de mond’? Zijn werk is duidelijk geen rode loper voor kunsthistorici, zoals De Bueger zelf opmerkte.

‘Onder een hoge maan
ligt een aap
Even verderop
kan ik mijn schoenen
niet meer vinden
Er wordt geklopt
ook dat nog
Toch
als je alles overziet
en
hoe gedraaid ook
ik
bij een vroeg grijze avond
de band plak
en denk
this is the life’

Bovenstaande tekst van de kunstenaar komt uit zijn Denkbeelden & Deining. Chris de Bueger in een notendop, denk ik erbij. Als ik hem bel voor een gesprek op zijn atelier lepelt hij meteen een anekdote op over een interview dat hij ooit aan een verslaggever van de Deventer Courant gaf, naar aanleiding van een expositie. Op krukjes tegenover elkaar gezeten vuurde deze de eerste strenge, autoritaire vragen op de kunstenaar af: ‘Geboren?’ en ‘Opleiding?’, waarop De Bueger riposteerde ‘Ik krijg toch geen bekeuring?’. De recensent in kwestie ontstak daarop in woede, smeet zijn opschrijfboekje op de vloer, schreeuwde de kunstenaar toe om daar maar een foto voor een artikel van te maken, om vervolgens af te nokken. Dat zou Chris de Bueger wel heel leuk hebben gevonden. Achteraf is het nog wel goed gekomen, toen de journalist bij zinnen terugkwam om zijn boekje op te halen, en er alsnog een geanimeerd gesprek over de tentoonstelling plaatsvond. De recensie in kwestie heb ik niet kunnen achterhalen. Over Chris de Bueger is slechts in kleine kring gepubliceerd. Een inkijkje in zijn kunstenaarschap, het ventileren van hoogtepunten daaruit, alsmede enige biografische notities lijken me hier op z’n plaats.

Staketsels en project ‘Zaal 212’ in Museum Fodor

Chris de Bueger heeft over een lange periode een veelzijdig oeuvre opgebouwd, in uiteenlopende technieken. Zijn eerste werken waren schilderijen van interieurs of delen daarvan. Ook schilderde hij stillevens met vazen en bloemen, of schalen met fruit. Niet pregnant verbeeld, de objecten zijn veelal naar de rand verschoven. Vanaf midden jaren zeventig maakte hij houten sculpturen, bestaande uit aan elkaar gespijkerde latten van sloophout, voorzien van strepen en stippen. Staketsels noemde hij ze. Hun vormen schilderde hij tevens op doek. Die sculpturen en schilderijen combineerde hij, zoals te zien in het werk ‘Hommage aan J.J.’ uit 1977. De staketsels voorzag hij van betekenisvolle titels als ‘Hek’, ‘Kerstmis ’77’, ‘Svalan’, ‘Blokje’, ‘De ontmoeting’, ‘Helmond’, ‘Lola’, ‘Eddie M.’, ‘Voor Hokusai’, ‘Monument voor Leeghwater’ of ‘De oude zieke ballerina’. In deze Monumenten voor de kwetsbaarheid koos hij het staketselachtige, de chaotische ordening, als het onderwerp van zijn schilderijen. De gelijknamige publicatie uit 1978 markeert deze periode. Hoe actueel vandaag de dag, nu vele monumenten van hun voetstuk worden getrokken en vele juist voor de onkwetsbaarheid zijn vervaardigd. ‘En hoe kwetsbaar zijn de werken van beelden die uitdrukking geven aan vermoorde Joden, zigeuners, homoseksuelen, communisten en andere minderheden voor wie een monument stilte, maar zeker niet: stilzwijgen kan zijn’, schreef Sipke Huismans in een brief in de publicatie.

Midden jaren zeventig maakte Chris de Bueger gebruik van de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR), toen een collega daarvoor werd geweigerd. ‘Ik was daar kwaad over en dacht; als ik drie planken op elkaar timmer staan ze nog te applaudisseren’, vertelt hij. Om de BKR-commissie op de proef te stellen, maakte hij zijn eerste  staketsel, dat hem zo ontroerde, dat hij er meerdere ging maken. Op exposities konden ze flinke scheldpartijen veroorzaken, niet zelden aangewakkerd en uitgelokt door kunstrecensenten. Die relletjes bezorgden hem de nodige publiciteit, waardoor hij vaker werd uitgenodigd om zijn staketsels tentoon te stellen. Zo exposeerde De Bueger in 1981 samen met Ramon van de Werken in het voormalige Museum Fodor (destijds de thuisbasis voor hoofdstedelijke kunstenaars) het totaalkunstwerk ‘Zaal 212’: een monumentale installatie met sloophout afkomstig uit zaal 212 van het Stedelijk Museum Amsterdam (SMA), die toen gerenoveerd werd. Op de grond lag een woud van staketsels, in verschillende richtingen in geel en wit geverfd, met spijkers overeind gehouden. Aan de muren hing het werk van Ramon van de Werken, grote onvoorspelbare witte, gele en rode houten vormen van aan elkaar gespijkerde en uitgezaagde planken, afgewisseld met zwart-wit tekeningen van De Bueger. Boven de toegang hing een grote houten zaag. Een waardige hommage aan zaal 212 van het Stedelijk, dat bij monde van Tijmen van Grootheest ‘iets’ uit de installatie wilde verwerven, hetgeen De Bueger pertinent weigerde. Alles of niets. Na afloop liet de kunstenaar de staketsels met een shovel op een hoop vegen en met de vuilnisschuit afvoeren. Ramon van de Werken heeft er nog een fotoserie over. Een van zijn laatste en wellicht belangrijkste staketsels, ‘Scenario, 1984, stem op de band’,liet de kunstenaar in de vermaarde tentoonstelling Beelden aan de Linge in Acquoy zien. In het landschap met zijn karakteristieke gebouwen koos De Bueger als locatie een van de bunkers, waarin hij de relatie tussen zijn beeld en de omgeving het best zichtbaar kon maken. In deze omvangrijke manifestatie participeerden 48 beeldhouwers. Nadien kon De Bueger van de staketsel-monumenten meer afstand nemen. Hij bemerkte er eenzelfde stramien in, hij verlangde naar nieuwe keuzes die uit het werk en het moment van de dag zouden volgen, hopend dat die hem dichter bij zichzelf zouden brengen. Bovendien waren er navolgers, en hij begreep dat hij ermee moest stoppen omdat dit werk nu naar een opkomende stroming in de beeldhouwkunst verwees. Op eigen houtje dus verder naar nieuwe einders.

Overigens heeft hij met het Stedelijk Museum een constant moeizame verhouding. Hij liet zich er maar bij uitzondering zien, en dan nog voor een tentoonstelling met kunst van een verzamelaar waar hij blijkbaar niet omheen kon. Naar zijn mening ontkent het Stedelijk het belang van Amsterdamse kunstenaars die ‘ertoe doen’. Hij voelt het als een miskenning van een omgeving waar hijzelf deel van uitmaakt. ‘Kunstenaars als Emo Verkerk, Lucassen, Jan Roeland, Pieter Holstein, Annette Ong en anderen zijn elders wel te zien, maar hier niet.’ De Buegers principiële standpunt wortelt in eerdere gebeurtenissen, zoals zich voordeed bij het project ‘Zaal 212’ wat hij overigens een ‘leuke ervaring’ vond. Hij was ook geenszins teleurgesteld dat het Stedelijk niet de gehele installatie wilde kopen. Dat leek hem ook onzinnig, maar een deel kopen is nog vreemder: ‘je koopt toch ook geen deel van “Who is affraid of ….”!’ Ook een bezoek van de commissie van het Stedelijk, die er vijf minuten voor uittrok, met een kunsthistorica die zich afvroeg ‘of er een bepaalde reden was die kleuren te gebruiken’, stelde hem hevig teleur. Wie nu veronderstelt dat Chris de Bueger door dit soort ervaringen verbitterd is geworden, heeft het mis. Hij is bepaald niet het type van de teleurgestelde kunstenaar, in tegendeel, hij voelt zich gelukkig. Voor hem gaat beeldende kunst over vrijheid, een ongelimiteerde vrijheid van denken, zegt hij erover. En die eigent hij zich al jaren toe. Wat hij vroeger moeilijk kon, was genieten van zijn werk. Tegenwoordig kan hij rustig een week naar zijn werk kijken.

Vroege jaren

Chris de Bueger was al vroeg op de hoogte van de kunst die aan hem vooraf ging. Een oom van zijn moeders kant was de kunstenaar Jan Heyens, bevriend met onder anderen Charley Toorop, Erik Wichman en Joris Ivens. Zijn overgrootouders hadden een logement bij het Kolkje in Amsterdam. Er bestaat een mooi schilderij van Charley Toorop van dat café. In De Buegers atelier staat een foto daarvan. Het lijkt een opmaat naar haar beroemde werk ‘De maaltijd der vrienden’. Zijn moeder voedde Chris met bijzondere verhalen over de kunst. Van zijn ouders kreeg hij mee dat hij ook verantwoording moet dragen voor de maatschappij waarin hij leeft.

Chris de Bueger genoot zijn opleiding aan de Rietveld Academie waar hij zich ’s avonds vier jaar lang in grafiek specialiseerde. Schilderen deed hij thuis. Hij besefte toen dat kunst maken een solo-avontuur zou worden. Kort na de opleiding verbleef hij met zijn latere partner, kunstenaar Annette Ong, enige tijd in Marokko, in een ‘prachtig’ atelier in Fez. Aat Veldhoen had hen daar naartoe gelokt. De invloed van het licht en patronen van weefsels, waar het werk van Matisse al een voorbode van was, zou hem sterk beïnvloeden. Als 18-jarige stond Chris in Parijs oog in oog met een van Matisses schilderijen, hetgeen hem naar eigen zeggen hartkloppingen bezorgde. In Fez maakte De Bueger veelal stillevens met onconventionele composities, verwant aan de stroming de Nieuwe Figuratie, die als een vanzelfsprekende verwantschap voelde. Nadrukkelijk vermeldt hij Lucassen die in ‘De eenzaamheid van Donald’ zoveel compassie oproept met de uitgeputte en doodongelukkige stripheld én Pieter Holstein, die nogal raadselachtig werk maakte. Ook Raveel met zijn beeldende analyses heeft De Bueger bewust gemaakt. En natuurlijk Matisse met zijn knipsels, zijn naam valt in ons gesprek regelmatig. Tevens refereert de kunstenaar aan literatuur en poëzie van schrijvers als Andrej Platonov of Rainer Maria Rilke, die vruchtbaar waren voor zijn kunst.

Na zijn werkperiode in Marokko betrok De Bueger in 1971 een atelier aan de Amsterdamse Javastraat, hij is er nooit meer weggegaan. Een helder en geordend atelier waar ‘het mooiste licht van de wereld heerst’, dat onder invloed van de weersomstandigheden voor veel variatie zorgt, een spel van invallend licht, gloed en schaduwen. Ik ervaar het zelf op de dag dat ik hem bezoek en de storm Corrie over het land raast. Het verwondert hem altijd maar weer; door het veranderde licht ziet hij zijn werk steeds op een nieuwe manier. Het licht in het atelier bood hem de kans om kleur meer betekenis te geven. Er volgde werk waarin ultramarijnblauw naast omber en wit de hoofdrol speelde. Toen het na enige tijd onmogelijk werd een andere kleur toe te laten, ging hij verder in zwart, bruin en grijzen, maar de somberheid ging hem al snel benauwen. Dus besloot hij om met kleurcombinaties te gaan werken die hij vreselijk vond, om de emotionele omgang met zijn werk te behouden. Het werd oranje/rood, en zijn aanvankelijke aversie sloeg om in bewondering. Zo werd het mogelijk om weer kleuriger te gaan werken. De vriendschap met Jaap Hillenius hielp hem om kleur bewuster in te zetten. Van vitaal belang voor de ontwikkeling van zijn werk bleek een ontdekking op het Grafisch Atelier in de late jaren zeventig. Bij het maken van kleurseparaties bemerkte De Bueger dat bij het toevoegen van meer kleuren na de eerste druk het licht uit de prent verdween.

Epistolaire gaven heeft De Bueger ook. Dat blijkt wel uit teksten die hij over vakbroeders schreef, gedichten in eigen publicaties, inleidingen in catalogi, en correspondentie die hij met menigeen in de kunstwereld voerde. Ook juryrapporten voor de Buning Brongers Prijs, waarvan hij jarenlang bestuurs- en jurylid was, schreef hij met verve. Het werk voor besturen, commissies en jury’s heeft hem altijd plezier verschaft, dat voorkwam dat hij navelstaarder zou worden, zegt hij. À propos, De Bueger is mede het artistieke geweten geweest in de transitie van de Haagse Artoteek naar kunstcentrum Heden, aanvankelijk als lid van de aankoopcommissie, later als lid van de Raad van Toezicht. Het was immer een uitdaging een kunstenaar bij de organisatie van de kunstinstelling te betrekken die niet direct binnen ons gezichtsveld opereerde en met frisse, originele invalshoeken het beleid bevroeg.

Stroef om de mond

Chris de Bueger verlegde zijn grenzen verder met het vervaardigen van nieuwe sculpturen, series beelden van keramiek, geglazuurd goud en blauw. Hij maakte er mooie beeldromans van met dichterlijke titels als ‘Stroef om de mond’ en ‘de Rustende Jager’. De eerste over  een serie abstracte gouden beelden en objecten, waarin menselijke gedaanten schuilgaan. Ze zijn ruw geboetseerd, en door het goud hebben ze een beweeglijk licht op het oppervlak. Met de verkoop van twee beelden kon hij ‘Stroef om de mond’ uitgeven en de beelden in de Oude Kerk op de Amsterdamse wallen tonen. Dat was overigens de eerste kunsttentoonstelling die daar plaatsvond. De Bueger was er van jongs af al bekend. Oom Henk Heyens (broer van oom Jan Heyens), had er zijn atelier in de laagbouw van de kerk. Toen Henk slecht begon te zien, hielp Chris als 12-jarige hem zijn atelier te ontruimen.
‘De Rustende Jager’ is een serie min of meer zelfstandige beelden over de jager als kunstenaar, op jacht naar een vorm. ‘Jagen moet hij en zijn rust verdient hij pas wanneer hij vorm heeft gegeven’, schreef Aart van Zoest in 2002 in de uitnodigingstekst toen deze beelden bij Heden/voorheen Artoteek Den Haag te zien waren. Veertig kleine en (middel)grote blauwe keramische beelden, menselijke vormen, zoals de jager die op z’n rug met de benen wijd uitrust en onbevangen en ontspannen van zijn vrijheid geniet. Of beelden die de jager tonen in een staat van seksuele opwinding, terwijl sommige jagers zich overgeven aan de daad. De blauwe beelden gaan terug naar het profane leven, De Bueger vermoedt dat er in het basale bestaan veel poëzie zit. Naar Bob Dylan: ‘I am a poet, I know it and hope I don’t blow it’. De keuze voor blauw-ultramarijn duidt op ruimtelijkheid, waardoor het beeld immaterieel, een uitsnede van de werkelijkheid, een gat in de werkelijkheid werd. Gewerkt ‘ins Blaue hinein’ volgens zijn opvatting dat het werk geen routine mag worden. Zoals we eerder zagen stopt De Bueger bij het vermoeden van routine: ‘je moet alles steeds weer ondergraven, steeds opnieuw beginnen. Dat is een raar en eenzaam bestaan, maar ook heel spannend. Dan bemerk je dat er een soort onbenoembaar verlangen bestaat’, zegt hij erover.

Vanaf ongeveer 1972 werden de schilderijen abstracter, met dynamische patronen van grote en kleine vlakken, vlekken, strepen en balken, en met figuren en objecten erin verwerkt. De voorkeur voor patroonachtige schilderijen kwam voort uit zijn afkeur van hiërarchie. Het interesseert De Bueger om ‘onbegrepen’ met hiërarchie om te gaan, waardoor de leeswijze van een werk elke logica mist, en er een andere ordening ontstaat. Het is de kunstenaar ten voeten uit. Volgens hem geeft het de beschouwer veel ruimte om een eigen invulling en interpretatie aan het werk te geven. Het kunnen ware ontdekkingstochten zijn, waarin de vormen wel te duiden zijn, maar je naar de betekenis moet gissen; een avontuur met zuiver schilderkunstige middelen. Licht werd een leidende factor, beeldend werd het complexer. Kleurige onbestemde vormen, veelal geel en blauw maken zich los uit grijs-witte vlakken, schuin geplaatste of bijna rechte zwarte vlakken trekken je mee de ruimte in. Wel drie keer aandachtig kijken, en je visuele fantasie gebruiken, anders raak je het spoor bijster. Wat er zich afspeelt is niet gemakkelijk te vangen: planken, lantaarnpalen, stoepranden, boomstammen, lichaamsdelen, eenvoudig en toch geheimzinnig. Lees hoe schrijver Hans Sizoo het verwoordde: ‘In de voorstelling kan de verf zich opdringen als tastbare materie of een kleur springt van die verre plek naar voren, halve perspectieven voeren weg naar een ruimte waarvan het einde zoek is, een verfstreek gaat in tegen de draad van het motief of een kleur is aan dat motief zo vreemd dat hij het motief zelf doet vergeten.’ Opgedoken herinneringen als motief, in andere vorm op het doek geplaatst? In ieder geval niet duidelijk zomaar weggezet, dat zou het kijken van de beschouwer maar belemmeren. Het is De Buegers opzettelijk ingevoerde ongrijpbaarheid van wat als loutere voorstelling zo simpel blijft. Het werk geeft zich niet zo maar prijs . De geleidelijke ontwikkeling ervan in de laatste jaren is op de voet te volgen in de zeven ‘schriften’ die zijn galerie AdK over zijn werk publiceerde. De eerste ter gelegenheid van de tentoonstelling Inzichten & Uitzichten, in 2011. Een voor- of nawoord tref je er niet in aan, wel een leeg vlak waar de kijker zijn of haar eigen betekenis of indruk kan invullen.

Beckmann, Perseus en Beckmann

De Buegers tekeningen roepen de nodige associaties op, ze zijn al vanaf het begin van zijn kunstenaarschap tot volle wasdom gekomen. Een mij aansprekend voorbeeld breng ik graag te berde, het bijzondere boekje Beckmann, Perseus en Beckmann van kunsthistoricus en essayist Hans Sizoo met tekeningen van Chris de Bueger. In 1940-1941 schilderde Max Beckmann tijdens zijn exile in Amsterdam het drieluik Perseus, over de galante held uit de Griekse mythologie. Perseus versloeg het zeemonster die de Ethiopische prinses Andromeda in wrede gijzeling gevangen hield, en die in enkele werken van Beckmann ten tonele verschijnt. Bij Hans Sizoo riep deze mythe in Beckmanns schilderijen zoveel vragen op, dat hij er een essay aan wijdde. Wat hem vooral intrigeerde, was de minder galante verschijning van de Griekse held bij Max Beckmann. Omdat de reproductiekosten voor het afbeelden van Beckmanns werk, die de grootste musea over de gehele wereld sieren, dacht Sizoo niet aan een publicatie. Daar wist Chris de Bueger raad mee. Toen hij, zeer in Max Beckmann geïnteresseerd, van Sizoo’s financiële perikelen rond de uitgave hoorde, ging hij aan de slag en vervaardigde 37 lijntekeningen in zwarte inkt, naar voorbeeld van de werken van Beckmann. Prachtige tekeningen. Zo ook de honderd tekeningen die op ware grote staan afgebeeld in het juweeltje Tautologie, herhaling van eenzelfde denkbeeld met een andere uitdrukking. Ze zijn geselecteerd uit een tekenboek van De Bueger, ontstaan in 2012/’14. Alle componenten en onderwerpen die hij al of niet verborgen opneemt in zijn schilderijen, komen erin aan bod. De tekeningen vonden afzonderlijk voor een spotprijs hun weg naar de vele kopers. Maar met deze uitgave bleef de tautologie in zijn geheel zichtbaar. En let eens op de expressieve zwart-wit tekeningen, Narooien, als metafoor voor de fase waarin de kunstenaar de laatste hand legt aan zijn schilderijen. De Bueger bedacht de titel bij het zien van de film Les Glaneurs et la Glaneuse van Agnes Varda, waarin zij het ‘nalezen’ (narooien) als metafoor gebruikt voor haar werkwijze als oudere kunstenaar. De Bueger voelde zich verwant aan die gedachte, hij rooit zich door zijn eigen werk en zijn leven, zoals hij in een van zijn schriften noteert. Nagerooide aardappels, het restant uit een reeds gerooid veld, worden in het Franse gehucht (vijftien inwoners) waar de De Buegers al sinds eind jaren zeventig bivakkeren, nog steeds verkocht. Iedere keer als ze ernaartoe trekken, sleutelt hij er nog steeds, veelal met vereende krachten, aan het huis en de bijbehorende schuur, zijn werkplaats. Zij zijn er onderdeel van de gemeenschap geworden.

Galerie AdK

Het klinkt als een cliché maar Chris de Bueger doet wat hij leuk en zinvol vindt. ‘Ik ben een geluksvogel’, benadrukt hij in het begin van ons gesprek. Sowieso fietst hij dagelijks naar zijn atelier, zijn ‘kluis’ waar hij zich content voelt en waar hij voor zichzelf kan werken. Niet voor galeries, kunsthistorici of recensenten, meer voor vrienden, goede kennissen en vakbroeders, lijkt het. Vanaf midden jaren tachtig leek hij niet van harte te willen exposeren, lees ik ergens. Niettemin exposeert hij graag, behalve als hij wordt uitgenodigd om een andere reden dan zijn werk. Hij heeft dikwijls nee gezegd. Sinds 1999 exposeert hij nog uitsluitend bij de Amsterdamse galerie AdK, met af en toe een uitstapje. En dan nog met kunstenaars en bij instellingen waarmee hij zich verwant voelt; stijl of stroming maakt hem dan minder uit. Zijn galerie bestaat al ruim twintig jaar en brengt een kwalitatief goed en gevarieerd programma, vaart een eigen koers met kunst die de waan van de dag laat voor wat ze is. Met een vaste stal van oudere kunstenaars als Pieter Holstein, Margriet Thissen en Annette Ong. Ieder jaar voegen zich er wel een of twee van een jongere garde bij, zoals Anika Mariam Ahmed of Rijnder Kamerbeek.

Maatschappelijke status en positie van de kunstenaars zijn voor galeriehoudster Ada de Koning belangrijk, edoch probeert zij ‘bescheiden’ en niet ‘hijgerig’ belangstelling voor haar kunstenaars te kweken en hen in hun ontwikkeling zoveel mogelijk te schragen. Het is evident dat verkoop belangrijk is, omdat veel kunstenaars geen kapitaal achter de hand hebben. De galerie AdK is een bijzondere uitzondering in een kunstwereld waarin veel galeriehouders met zware, ondoordringbare en (quasi) diepzinnige taal en tekst kijkers tot aankoop aanzetten. ‘Elvis zong het al: “Only a fool rushed in”’, zegt De Bueger. Gelukkig weet AdK voor haar kunstenaars steeds zoveel te verkopen, dat in ieder geval de beroepsuitgaven gecompenseerd worden. Blijkbaar weet zij met ‘liefde’ voor de kunst en de kunstenaars financieel een goede balans in de galerie te bewaren.

En dan hangt werk van haar kunstenaars plotseling in het buitenland: een Amerikaans gezin dat stomtoevallig bij AdK langsloopt, zich de gehele collectie laat tonen, afscheid neemt en dagen daarna de galerie laat weten dat ze tig werken wil aankopen voor hun huis in Los Angeles. Of de galeriehoudster kan overkomen om advies te geven bij de inrichting. Van Chris de Bueger verwierf het Guggenheim Museum in New York al eerder een aantal gouaches en een doek van formaat (figuurlijk, en letterlijk: 200 x 180 cm) na een atelierbezoek van zijn vroegere galeriehouder Jack Visser met de toenmalige Guggenheim-directeur Thomas Messer. Messer zag blijkbaar een mooi verhaal achter De Buegers werk, want hij kocht subiet. Zo hangt menige De Bueger aan de andere kant van de oceaan. En passant heeft De Bueger nog geprobeerd zijn vleugels in New York uit te slaan. Hij voelde er zich niet thuis, zeker niet nadat hij enigszins om geld verlegen zat na ontslag als docent op de Rijksakademie, met de komst van een nieuwe patriarch daar in 1986. Op de Rijksakademie pleitte hij voor vijfjarige contracten van docenten en begeleiders, en meende na vijf jaar zelf het voorbeeld te moeten geven. Lesgeven was nooit zijn ambitie, maar het gaf hem veel plezier. Chris de Bueger was tevens docent aan de AKI in Enschede, nu onderdeel van de Hogeschool ArtEZ (1977-1985).

Een gevleugelde uitspraak van Chris de Bueger is dat zijn kunst niet behaagziek is, en ook geen rode loper voor kunsthistorici. Stellig beoogt hij daarmee geen ‘kwaliteitskunst’ te (willen) maken, wel werk van betekenis, zonder dat het altijd begrijpelijk of voorspelbaar is. Niet tijdsgebonden ook, maar consistent. Hij is van mening dat vooral commissies het begrip ‘kwaliteit’ moeten gebruiken om hun keuzes te rechtvaardigen, maar dat die oordelen nooit objectief over kunst gegeven kunnen worden.
Ik vind zijn werk van grote schoonheid getuigen. En zeker zal hij ook angst voor of twijfels hebben over de kunstgrepen die zijn artistieke vakmanschap aan hem opdringt. Dat belet hem niet om de schoonheid van angst te voelen en te verbeelden. Ik mag zijn werk toch wel mooi noemen?

Geraadpleegde literatuur en teksten uit het archief van Chris de Bueger, waaruit geciteerd is

Chris de Bueger, Monument voor de kwetsbaarheid. Franeker en Enschede: Museum ’t Coopmanshuis en Markt 17, 1978.

Piet Cleveringa, Nicolette Gast & Cees Hilhorst (red.). Beelden aan de Linge. Werken van 48 hedendaagse kunstenaars in Nederland te Acquoy. Utrecht: Reflex, 1984.

Chris de Bueger, Denkbeelden & Deining. Amsterdam: Fundatie, 1988.

Rijksdienst Beeldende Kunst, Nederlandse kunst. Rijksaankopen 1989. ’s-Gravenhage: Rijksdienst Beeldende Kunst  / SDU uitgeverij, 1990.

Hans Sizoo & Chris de Bueger, Inzichten & Uitzichten. Schrift 3. Amsterdam: Galerie AdK, 2010.

Hans Sizoo, Beckmann, Perseus en Beckmann. Met afbeeldingen van Chris de Bueger. Soesterberg: Uitgeverij ASPEKt, 2012.

Chris de Bueger. Tautologie. Schrift 34. Amsterdam: Galerie AdK, 2017.

Gesprek met Chris de Bueger op 31 januari 2022 op zijn atelier en zijn reacties op de eerste tekst, die ik heb verwerkt.

1 reactie

  1. Wat fijn om zo’n uitgebreid verslag over Chris te lezen.
    Ergens in 1980 kwam hij in mijn leven we zaten we in een commissie…denk ik.
    Arie en ik kochten een “gouden” torso volgens mij bij Heden.
    Ik waardeer Chris zeer en voel zijn werk na, heel mooi.
    Ook A.d.K verdient deze pluim en aandacht. Dank Michiel.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.