Michiel Morel

In het hoofd van…

Van Ouborg, een experimenteel zonder forum, tot Kruysen, winnaar van de Ouborgprijs 2011

| 10 Comments

Share

    
Pieter Ouborg  © erven Ouborg
Vijf winnaars van de Ouborgprijs, v.l.n.r.:  Hans van der Pennen, Justin Bennett, André Kruysen, Auke de Vries en Zeger Reyers © Arnd Bijleveld, 2011   

Dolf Welling kwalificeerde de kunstenaar Pieter Ouborg (1893 – 1956) ooit als “een experimenteel zonder forum”. Deze nestor onder de kunstcritici had blijkbaar een vooruitziende blik, want ook bij de uitreiking van de naar hem vernoemde Haagse oeuvre-prijs voor beeldende kunst is Ouborg er altijd bekaaid afgekomen. De laureaat wordt immer voorzien van een puike publicatie en krijgt ook nog eens een tentoonstelling in het Gemeentemuseum. Werken van de naamgever van de prijs waren tot nu toe in geen velden of wegen te bekennen. Mij lijkt het niet meer dan terecht om bij de uitreiking van de prijs, de spotlight ook eens op deze bijzondere en veelzijdige kunstenaar te richten.
Op mijn lijstje van belangrijke Haagse beeldend kunstenaars uit de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog prijkt Pieter Ouborg bovenaan, naast Willem Hussem, Jaap Nanninga en Wim Sinemus. In die tijd waren zij experimenteel gerichte kunstenaars. Nu telde de Haagse kunstwereld in die jaren, in vergelijking met de bloeitijd van de Haagse  School, nauwelijks mee. En over de grenzen al helemaal niet. Hussem kende men meer als dichter dan als schilder en van Nanninga was bekend dat de Cobra-kunstenaars hem maar een zacht ei vonden. Ouborg zelf, ooit uitgenodigd om zich bij die kordate mannen van Cobra aan te sluiten, werd vooral bekend vanwege een onverkwikkelijke rel rond de Jacob Marisprijs. Toch hebben deze kunstenaars bij de opkomst van het modernisme na de oorlog in ons land een niet onbelangrijke rol gespeeld. Zij behoorden tot een radicale vernieuwingsbeweging, die al snel na 1945 tot spontaan abstract werk kwam, nota bene op een moment dat Cobra hier nog niet aan de horizon was verschenen. Terwijl de figuratieve kunst nog hoogtij vierde, liepen deze vier Haagse kunstenaars vooruit op de vrije abstractie die zich pas in de jaren vijftig zou openbaren.

  
Willem Hussem, Compositie, 1970, collectie Heden (l)
Pieter Ouborg, Visioen, 1954, collectie Dordrechts Museum (m)
Jaap Nanninga, Figura, 1960, collectie Stedelijk Van Abbemuseum (r)

Pieter Ouborg, bij het grote publiek toch nog steeds een grote onbekende, wil ik hier nog een keer roemen. In het bijzonder om de tekst die hij aan het eind van zijn leven over zijn werk schreef. Daaruit blijkt dat zijn verblijf in Indië, van 1915 tot 1938, van enorme invloed is geweest op zijn latere oeuvre. De vijftien winnaars van de Ouborgprijs zal ik in deze bijdrage natuurlijk niet onbetuigd laten, maar dan wel tussen de regels over Ouborg door!

Op instigatie van Groen Links is de Ouborgprijs in 1990 als opvolger van de Jacob Marisprijs, door de Gemeenteraad ingesteld. Aanvankelijk ieder jaar, maar sinds 1997 om de twee jaar, wordt de prijs toegekend aan “een Haagse beeldende kunstenaar, van wie zijn of haar oeuvre van grote kwaliteit is en grote betekenis heeft voor de beeldende kunst in Den Haag”. Haar blijkt achteraf een understatement. Van de vijftien laureaten was Lotti van der Gaag tot nu toe de enige vrouwelijke kunstenaar.
De keuze om de naam van Ouborg aan de prijs te verbinden had wat voeten in de aarde. De erven van de familie Maris reageerden ontzet op berichten van gemeentewege dat, tegelijk met het ontbinden van de Jacob Marisstichting, ook de gelijknamige prijs aan vernieuwing toe was. Vervolgens kwam de toenmalige invloedrijke directeur van het Gemeentemuseum, Rudi Fuchs met de naam Jan Toorop op de proppen. Die werd iets te stoffig bevonden en uiteindelijk is op mijn voorstel gekozen de prijs aan de modernistische Ouborg te koppelen. (Ere wie ere toekomt, denk ik er bescheiden bij). De Ouborgprijs is een bekroning van de waardering van kunstenaars en kunstliefhebbers van het werk van deze Haagse kunstenaar. Of er ooit aan gedacht is de prijs, bij uitzondering, de eerste keer postuum aan de naamgever van de prijs zelf toe te kennen, weet ik eigenlijk niet. In ieder geval beet Frans Zwartjes als eerste winnaar in 1990 de spits af.

1990

Frans Zwartjes (1927): “Hoe dieper je in de materie graaft, hoe dieper je bij het mysterie komt”

      
© Jasper Zwartjes, 2002 (l)
Zonder titel, tekening, 1987, collectie Heden (m)
23.06.07, 2007, particuliere collectie (r)

1991

In het schilderen van Wil Bouthoorn (1916 – 2004) bleef altijd een geheim verborgen dat alles ging ophelderen

      
© Marianne Dommisse, 1961 (l)
Zonder titel, collectie Heden (m)
Man met pet, collectie Heden (r)

 

1992

De wereld van Gerard Fieret (1924 – 2009) verenigt het alledaagse en het bizarre, het tragische en het meest triviale met grote variatie in zich

      
© Koos Breukel, 1995 (l & m)
Scheveningse strand (r)

1993

Lotti van der Gaag (1923 – 1999) was uitzonderlijk in het vormgeven van haar eigen fantasieën

      
© Marianne Dommisse, ca 1958 (l)
Le rêve tourne en rond, collectie Heden (m)
Quelle zizanie, 1978, collectie Heden (r)

1994

Tomas Rajlich (1940) bouwt al ruim veertig jaar een uiterst consistent oeuvre op, waarin de ontwikkelingen zich langzaam maar trefzeker voltrekken

      
© Marianne Dommisse, 1992
Grijs, grijs, 1978 © collectie Heden
Zonder titel, 2004 © collectie Heden

Ouborg kruist al meer dan 35 jaar regelmatig mijn pad. Op bezoek in de belangrijkere musea kijk ik altijd naar hem uit. Met veel genoegen zie ik zijn werk iedere keer opduiken. Nu hebben ze hem in het recent gerestaureerde Dordrechts Museum, dat veel werk van Ouborg in collectie heeft, wel in een lullig hoekje weggestopt. En dan nog met een van mijn favoriete schilderijen, Vaarwel.

Vanaf 1939 tot aan zijn dood woonde en werkte Ouborg in Den Haag, waar hij artistiek gezien zijn meest interessante werk maakte. In zijn Haagse periode ontstond het lyrische expressieve, heldere, vaak stralende werk, waarmee hij eigenlijk een plaats in de Nederlandse kunstgeschiedenis veroverde. Maar een beetje Dordts is hij ook. Geboren en opgegroeid in een streng calvinistisch gezin met tien kinderen woonde hij in Dordrecht tot hij naar Nederlands Indië vertrok. Daar ontpopte zich bij hem een grote belangstelling voor niet-westerse kunst. Ouborg heeft mij zeker ook een duwtje in de rug gegeven om me in niet-westerse kunst te verdiepen. Het heeft er praktisch gezien toe geleid dat Heden in 1994 een intensief uitwisselingsprogramma met Indonesië kon opzetten, dat zich vertaalde in de aankoop van werk van Indonesische kunstenaars, tentoonstellingen, uitwisselingen en workshops. Menig werk van hedendaagse Indonesische kunstenaars heeft via de kunstuitleen zijn weg naar een (Haagse) huiskamer gevonden. In 2006 mondde dit programma uit in het Artist in residence programma Landing Soon. Nog steeds biedt het Nederlandse kunstenaars de mogelijkheid een werkperiode van drie maanden bij Heden’s partner Cemeti Art House in Yogyakarta door te brengen.
Als hommage aan Ouborg bracht Heden de kunstenaar in twee tentoonstellingen voor het voetlicht. In 2001 de expositie Ouborg 100x en in 2009 Het masker als intermediair. De eerste was een indrukwekkende tentoonstelling met honderd tekeningen uit de privé-collectie van Paul Wallenburg, een van de erfgenamen van de kunstenaar. Het waren schetsen waarop Ouborg de beelden die hij zag, ogenschijnlijk argeloos, maar zo direct mogelijk heeft weergegeven. Vaak waren ze niet groter dan A4 en zijn ze allen zoveel mogelijk 1 op 1 in de gelijknamige catalogus afgebeeld. In een ontwerp gelijk een kladblok, dat zo van Ouborg’s slaapkastje kon zijn weggelopen. Ook Koningin Beatrix, die eerder tijdens een curatorschap van een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam met het werk van Ouborg in aanraking was gekomen, belde om te vragen of ze de tentoonstelling mocht komen bekijken. En dat in de meest verwarrende en hectische periode van deze eeuw, twee weken na 9/11. De andere expositie, Het masker als intermediair probeerde de invloed van het masker op het werk van Ouborg zoveel mogelijk in kaart te brengen (de kunstenaar heeft tijdens zijn verblijf in Indonesië een indrukwekkende verzameling maskers aangelegd). Hierin werd tevens een relatie gelegd met het werk van drie jonge Indonesische kunstenaars, Eko Nugroho, Wimo Ambala Bayang en Terra Bajraghosa, die het masker in hun eigen werk gebruikten.


Pieter Ouborg, Vaarwel, 1931, collectie Dordrechts Museum

Om in 1914 aan de dienstplicht te ontkomen, liet Pieter Ouborg zich als ambtenaar naar het toenmalige Nederlands-Indië uitzenden. Als onderwijzer en tekenleraar ging hij er in 1916 op een lagere school in Serang op West-Java aan de slag. De kunstenaar Ouborg maakte de eerste jaren van zijn verblijf overwegend landschappen en portretten. Mondjesmaat, vanwege een drukke baan en talrijke overplaatsingen naar o.a. Padang, Soerabaja en Bandoeng. Na zijn eerste verlof in Nederland in 1925, werkte hij als tekenleraar op een Mulo in Malang en later op een Hogere Burger School in Batavia. Hij raakte er betoverd door de geheimzinnige Oosterse primitieve kunst: voorouderbeelden, tempels, wajangpoppen en vooral maskers. Zijn verzameling maskers is indertijd uiteen gevallen, nog slechts tien exemplaren bevinden zich in een openbare collectie, die van het nu bedreigde Tropenmuseum. Het ging de kunstenaar vooral om de mystieke betekenis en de magische lading van het masker, als middelaar tussen de aardse en bovenaardse wereld. In Indië ontstonden vele maskerschilderijen die geesten, goden en demonen verbeelden. Ouborg ontdekte er een mentaliteit, die veel dichter bij het bestaan stond dan de Westerse manier van denken en leven. De belangstelling van Ouborg voor niet-westerse kunst paste binnen de belangstelling van Europese kubisten en surrealisten voor primitieve kunst. De kunstenaar nam daar kennis van uit tijdschriften, waarop hij in Indië was geabonneerd. Omdat hij in afzondering werkte zat hij enigszins gevangen in een artistiek isolement. Behalve zijn vrienden en kunstbroeders Dolf Breetvelt en Jan Frank waren er geen kunstenaars met wie hij zich kon verstaan. En omdat ook zij nooit samen in dezelfde standplaats werkten, zagen ze elkaar alleen in de vakanties. Ouborg’s artistieke ontwikkeling in Indië was dus in hoge mate het resultaat van zelfontplooing. Zijn naaste omgeving moet zijn vrije werk daar toch als een eigenaardige hobby beschouwd hebben.

1995

Dick Raaijmakers (1930) vervaardigde literaire, filmische, theatrale en vooral beeldende producties, waarin hij het spanningsveld tussen kunst en techniek op een steeds wisselende wijze origineel en stimulerend aan de orde wist te stellen

      
© Vincent Mentzel, 2007 (l)
De Grafische Methode Fiets, performance, 1979 (m & r)

1996

Het werk van Martin Rous (1939) is uniek vanwege de onhollandse verhouding tussen intellectuele, conceptuele en visuele kwaliteiten

      
Geen foto beschikbaar
Taurus, mal stiertje, 1992, collectie Heden (m)
Driften, wanen en conventies, 1989, collectie Heden (r)

1997

Auke de Vries (1937) is in staat (semi-)openbare ruimtes, die dikwijls als een minderwaardige plaats voor kunst worden gezien, tot thema te verheffen

      
© Ellen Bailly, 1992 (l)
Beeld toegangsweg Expo 2000, Hannover (m)
Zonder titel, 1992, collectie Heden (r)

1999

Philip Akkerman (1957) concentreert zich al een leven lang op het verbeelden van één onderwerp, zijn eigen hoofd. Zo wil hij de essentie van het schilderen doorgronden

      
© Willy Jolly, 2005 (l)
No 19, 1995, collectie Heden (m)
Kaart van no. 35, 2005, collectie Jack Mondt (r)

2001

Vojta Dukát (1947): “Ik honoreer in hoge mate de visuele aspecten van het leven”

      
© Marianne Dommisse, 1992 (l)
Oruro, 1983, collectie Heden (m)
Coroico, 1983, collectie Heden (r)

Met enige onderbrekingen verbleef Ouborg tot 1938 in de Tropen. Wat voor invloed Indonesië op zijn kunst had, beschreef hij pas in 1956, enkele maanden voor zijn dood. Willem Sandberg, de toenmalige illustere directeur van het Stedelijk Museum, placht nog wel eens belangrijke kunstenaars te vragen om voor de vuist weg iets over hun werk op een taperecorder in te spreken. Daar moest je bij de doorgaans hartelijke maar introverte Ouborg niet mee aankomen. Hij schreef het liever op. Zo produceerde hij een waarlijk heldere, betekenisvolle en compacte tekst, die zicht biedt op zijn contact met de Indonesische culturele en mentale eigenheid: Over het onbewuste in de kunst, mede in verband met eigen werk. Hierin beschreef hij hoe Indonesië bij hem het ontstaan van onbewuste uitingen in de hand werkten. Onbewuste uitingen hadden in Ouborg’s opvatting niets te maken met bedachtzaamheid, maar waren zijns inziens uitingen die niet onder controle van de wil stonden: “Deze onbewuste uitingen zouden als basis voor mijn werk zijn te noemen”. Ouborg beschreef in deze tekst verder hoe hij in Indonesië kindertekeningen begon te verzamelen, waarop hij niet uitgekeken raakte en die hij beter vond dan werk van hemzelf. Zijn verzameling etnografica, vooral de Cheribon-maskers (Cirebon), waren onderdeel van de traditionele dans- en wajang-cultuur.


Houten Wajang Tópeng masker uit de voormalige verzameling Ouborg © Tropenmuseum

De Wajangwereld, het spelen met schimmen, bracht hem  “een krachtig levende onzienlijke wereld nader. Die doet denken aan magie en dat is begrijpelijk, omdat alle kunst in een grauw verleden herinnert aan magische praktijken”. We weten niet hoeveel dansvoorstellingen met maskers of wajangvoorstellingen Ouborg bezocht, maar zijn blik op verschijningen in die onzichtbare en weinig kenbare wereld, is gescherpt door het beeldend materiaal dat de Indonesische traditionele cultuur hem bood. Andersom herkende hij in die maskers en wajangpoppen verschijningen die hij daar voor zijn geestesoog kreeg. “Altijd visionair was mijn werk, doordrenkt zou ik willen zeggen, van onbewuste beelden. Talloos vele zijn in de loop der jaren de kladjes ontstaan waaruit dat op temaken is. Vooral op bed en ’s nachts drongen de beelden zich aan mij op. Als de dagwereld met al haar afleiding niet meer was te bespeuren, werden de beelden zonder veel moeite zichtbaar, hoewel ze mijn ogen erg vermoeiden. Zo verschenen de visioenen als trillende, lichtende tekens op donkerend fond en ik had het gevoel correctie te moeten vermijden. Indonesië riep zo, wat onbewust was in mij wakker”. Eindeloos heeft Ouborg zich verdiept in de wereld van de Javaanse geestescultuur en er in zijn werk hij een eigen draai aan gegeven. Wat hij in Indië aantrof heeft hij in zijn schilderijen en tekeningen (opnieuw) geformuleerd en het in zijn werk pregnant tot leven gebracht.

Over het onbewuste in de kunst, mede in verband met eigen werk
Tekst: Pieter Ouborg, ingesproken door Chris de Bueger
Filmbeelden: Nederlands Filmmuseum
Productie: Paul Wiegerinck, 2009 © Heden

Pieter Ouborg heeft als kunstenaar een geheel eigen weg afgelegd. Zijn werk is moeilijk bij een bepaalde groep onder te brengen. Nooit heeft hij zich om richtingen of stijlen in de kunst bekommerd, hoewel zijn werk wel degelijk in bepaalde perioden bij gangbare stromingen aansluit. Het kende een grillige ontwikkeling. Door de tijd verschoof het zich van een figuratieve vormentaal, via magisch realistische, surrealistische en geabstraheerde beelden naar een lyrische expressieve stijl. Vanwege zijn latere, abstracte stijl zag men hem ook als een geestverwant van de Experimentelen. De Cobra-groep vroeg hem in 1949 zelfs toe te treden. Ouborg weigerde: hij voelde zich geen groepsmens en de Cobra kunstenaars waren volgens hem te weinig op zoek naar wezenlijke verdieping. Bovendien zocht hij zelf nooit de publiciteit. Die kreeg hij in 1950 toch meer dan hem lief was. Dat jaar werd hij onderscheiden met de Jacob Maris-prijs voor zijn tekening Vader en Zoon. Die tekening, eigenlijk niet eens een abstracte maar een bewust naïeve voorstelling, stond synoniem voor de naoorlogse moderne kunst, die als onbegrijpelijk en uittartend te boek stond. Ook in de kunstwereld werd de bekroning van Ouborg als een provocatie opgevat. Over het hoofd van de kunstenaar geraakten de gemoederen over de naoorlogse ontwikkelingen in de beeldende kunst, in feite over het bestaansrecht van de abstracte kunst, in rep en roer. Zelfs tot in de Eerste Kamer. Al eerder was publieke razernij ontstaan over een wandschildering van Karel Appel, Vragende kinderen in de kantine van het Amsterdamse gemeentehuis, waar ambtenaren kennelijk geen hap door hun keel konden krijgen als ze naar dit werk keken. Slechts twee maanden na de bekroning met de Jacob Marisprijs kreeg Ouborg in Cobra – Amsterdam, een tentoonstelling in de pas geopende pakhuisgalerie Le Canard aan de Spuistraat. Het was de eerste die eigenaar Hans Roduin hier organiseerde.
De grote publieke aandacht die de kunstenaar na de toekenning van de Jacob Marisprijs ten deel viel, heeft hem diep gekrenkt en verdriet gedaan. De heftige aanvallen trokken zijn oprechtheid in twijfel en troffen hem als een “meteoorachtige verschijning”. Andere kunstenaars zouden bij zulke aandacht opgewonden raken, maar Ouborg bleek kwetsbaar. Hij had toch altijd in afzondering gewerkt en zich bij voorkeur in zijn eigen innerlijke wereld terug getrokken. Ook voelde hij zich geen vertegenwoordiger van een bepaalde richting in de kunst of van een standpunt. Genoegdoening tijdens zijn leven kreeg hij evenwel met twee grote overzichtstentoonstellingen, respectievelijk in 1953 in het Haags Gemeentemuseum ter gelegenheid van zijn 60ste verjaardag  en een jaar later in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Gerrit Achterberg, groot bewonderaar van Ouborg en net als hem in een zwaar protestants milieu opgegroeid, schreef na zijn bezoek aan de tentoonstelling in Den Haag er het gedicht Sluitrede over:

Vannacht liep ik nog eens tegen u aan;
hetgeen een doodenkele keer gebeurt.
Deze premissen, die op schildwacht staan,
inmiddels op hun basis weergekeerd,
hebben het achteraf geverifieerd.

Zinsnede, aan de cosmos toegedaan,
dat wij als bloemen waren opgefleurd
en niet meer uit elkander zijn gegaan,
ontving zijn onafhankelijk bestaan;
infinitief, in u verdisconteerd.

Het vliegtuig schrijft onhoorbaar langs de lucht
een tekening van Ouborg. Condensgas
komt er met spanningslijnen bij te pas.
Daartussen slaat het blauwe op de vlucht:

oneindigheid in spinneweb gevangen;
een bruidsluier over u heen gehangen.

2003

Hans van der Pennen (1953) zoekt met de vingers in de klei de vorm, die hij ‘met het hart’ observeert

      
© Hans van der Pennen (l)
Liggend, 1987 , collectie Heden (m)
Zelfportret in bad, 1987, collectie Heden (r)

2005

Ben van Os (1944) is internationaal bekend als production designer, een meester in het creëren van bizarre, onwerkelijke en overweldigende mis-en-scênes

      
Ben van Os in zijn atelier © Erwin Olaf, 2005 (l)
Inrichting trouwzaal Stadhuis Den Haag, 1995 (m)
Publicatie, Stroom, 2005 (r)

2007

Bij Zeger Reyers (1966) liggen natuurlijke cycli en processen, biotopen, evenwicht en onmacht ten grondslag aan uitingen als performance, installatie, video, culinaire actie of sculptuur

      
© Arnd Bijleveld, 2011 (l)
Hard Water, installatie, 2004, galerie Maurits van de Laar (m)
Lux Flex, installatie, 2006, galerie Maurits van de Laar  (r)

2009

Justin Bennett (1964) wil je naar de stad laten luisteren en gebruikt daarvoor geluid als ‘materiaal’ om je verborgen processen, ongekende geschiedenissen, diep liggende structuren of abstracte fenomenen als ruimte te laten ervaren

   
© Robert van Stuyvenberg (l)
Field Gallery © Justin Bennett (m)
Uitreksel van ‘Sundial’, een 24-uurs opname gemaakt in Den Haag

2011

De ontmoeting met een grote installatie van André Kruysen (1967) is vergelijkbaar met de sublieme ervaring van een exceptioneel natuurverschijnsel

      
©Ingrid Scholten, 2010 (l)
Over Vedra V, 2008 © collectie Heden (m)
Installatie in Heden Hier© Ingrid Scholten, 2010 (r)

Ouborg’s laatste levensjaren moeten veel somberte gekend hebben. Ongeveer twee jaar voor zijn dood bracht hij een uiterst onheilspellende en bezwerende tekst in de tekening Regengoden aan. Het was een voorstudie voor wat zijn laatste, gelijknamige, schilderij zou worden. Enkele regels of woorden daaruit luiden: “Stervens moede, Goddelijke Regen, heerlijk ging ik sterven in de regen,  o! regen, geef mij uw zegen, wandelde ik, in duizend noden, stortte zich op mij” etc. Het is veelzeggend dat hierin als goden gemaskerde figuren met een zeer demonische uitstraling zwevend boven de aarde geschetst zijn. De regen en de regengoden zelf zouden pas op het uiteindelijke schilderij ten tonele verschijnen. Woorden uit de voorstudie voor Regengoden heeft Ouborg op het schilderij weggelaten. De tekening Regengoden roept nog steeds vragen op, maar met enige zekerheid mag men stellen dat de kunstenaar zijn einde al voelde naderen. Tot aan zijn dood heeft de Oosterse magische en mystieke cultuur invloed op zijn leven en werk gehad: die heeft hem tot in het diepste van zijn ziel getroffen en verrijkt. Ongetwijfeld heeft Ouborg voor diverse kunstenaars een stimulerende rol vervuld en is hij voor hun ontwikkeling van belang geweest. Juist omdat de aanleiding tot een werk en de criteria die hij hanteerde niet vanuit de kunst werden gedicteerd, maar vanuit die niet waarneembare geesteswereld. Welhaast een vorm van bezwering.
Wordt het bij de volgende uitreiking van de Ouborgprijs nu toch niet eens tijd om bij de expositie van de prijswinnaar ook aandacht te schenken aan de naamgever van de prijs? Pieter Ouborg moeten we blijven koesteren.


Pieter Ouborg, Regengoden, 1955, particuliere collectie

 

Het © van de foto’s berust bij de genoemde fotografen, de kunstenaars of hun erven en uitgevers. De rechten van de afbeelding van de werken van Ouborg berusten bij de Stichting Pictoright. De bij de winnaars van de Ouborgprijs vermelde teksten zijn afkomstig uit de juryrapporten of begeleidende teksten in de uitgaven van Stroom. De tekst bij Martin Rous (hij is de enige over wie geen publicatie verscheen) is afkomstig van Carel Blotkamp. Het gedicht Sluitrede komt uit ‘Gerrit Achterberg Verzamelde Gedichten’, pagina  901, uitgave Querido Amsterdam, 1963.

Geraadpleegde, hier en daar geciteerde en aanbevolen literatuur:

Pieter Ouborg – schilder, Leonie ten Duis en Annelies Haase, uitgave SDU/Openbaar Kunstbezit, 1990
Ouborg 100 x, uitgave Artoteek Den Haag, 2001
Aart van Zoest, Ouborg, de onbekende, Ergosum, 2001
Jan Wychers, Piet Ouborg, uitgave Atjeh Den Haag, 2008
Het masker als intermedair, uitgave Heden, Den Haag, 2009
Piet Ouborg, solist, uitgave Waanders en Cobra Museum voor Moderne Kunst, Amstelveen, 2009
De publicaties van Stroom Den Haag over de winnaars van de Ouborgprijs. Die van Dick Raaijmakers bestaat uit een videoopname van VOLTA.

10 Comments

  1. verdomd goed stuk. dank

  2. Michiel mijn grootste complimenten voor dit doorwrochte onderzoek dat zowel geschiedkundig is als actueel, persoonlijk als objectief. Het voorziet de Ouborg Prijs zoals we die al geruime tijd kennen, van een onmisbare essentiele laag die des te duidelijker maakt waarom de prijs zo bijzonder is.

    Liefs, Jane

  3. Al die invalshoeken om zo iemand neer te zetten…. ik heb ervan genoten.

  4. Ha Michiel,
    Erg mooi en leerzaam, Dank!
    Liefs, Elsa

  5. Dag Michiel, met veel plezier heb ik je tekst gelezen , het is een prachtig tijdsbeeld en een verslag van gestreden strijd. Soms hoor je mensen nog spreken over abstractie en figuratie, wat was me dat ooit een gevecht en nu lijkt bijna niets meer waard om voor te strijden, alles kan, mag en gebeurt. Zelfs wetenschappelijke rapporten zijn ‘slechts een mening’. Wat me vooral raakt is de eenling Ouborg zoals door jou geschetst.
    Dank ook voor het weer prachtige beeldmateriaal.
    Vriendelijke groet
    Stijn

  6. Beste Michiel,
    Teksten geschreven vanuit een innerlijke behoefte zijn de beste teksten om te lezen. Helemaal als ze gepaard gaan met een grote kennis van zaken. Jouw tekst over Ouborg is van beide aspecten een klinkend voorbeeld.
    Ik heb ‘m met zeer veel genoegen gelezen.
    Dank, André

  7. boymans geefr ouborg met 2 schilderijtjes uit de jaren dertig in een heel mooi kabinetje gelukkig alle eer…

  8. Mooi stuk, met veel genoegen gelezen. Ouborg in context, de O-prijs ook en inderdaad, wat werk van O. bij de tentoonstelling van de winnaar van de prijs die zijn nam draagt zou geen kwaad kunnen. Het HGM heeft een aantal prachtige werken van hem. Ik deel je mening dat O. van de kunstenaars in de eerste twee decennia na de oorlog een van de allerbesten was.

  9. Na het zien van de Happy Days tentoonstelling die morgen opent in het Haags Gemeentmuseum, zult misschien uw uitspraak dat Den Haag in de periode na de Tweede Wereldoorlog nauwelijks mee telde, willen nuanceren. Verder een uitstekend verhaal.

  10. Mooi beschreven! Zeer inspirerend !
    Dankjewel.

Geef een reactie

Required fields are marked *.