Michiel Morel

In het hoofd van…

Geordende chaos: over het leven en werk van Willem van Genk

| 5 Comments

Share

27 5
Brochure tentoonstelling in New York (2014) met afbeelding van World Airport, ca. 1965 (l)
Uitnodiging tentoonstelling in Den Haag (1999), met afbeelding van Schwebebahn Wuppertal, ca. 1960

Nog tot 1 december is in het American Folk Art Museum in New York een mooi overzicht van Willem van Genk (1927 – 2005) te zien. Behalve de wonderlijke expositie van Teun Hocks heb ik bij kunstcentrum Heden (voorheen Artoteek Den Haag) nooit een curieuzere tentoonstelling gemaakt dan die van deze onalledaagse kunstenaar. Zelf vond Van Genk zijn kunstwerken ‘flauwekul’, maar ondertussen zette hij de dynamische chaos van de stad wel in prachtige gedetailleerde schilderingen neer: propvolle steden met imposante architectuur en treinstations boordevol reclameteksten, dreigende perrons met treinen als monsters, meanderende straten en pleinen met monumentale kathedralen. Als een volwaardig verkeersleider loodst hij op zijn schilderijen vliegtuigen over de stad, waar het krioelt van de mensen en het verkeer voortjakkert. Alles berekend, strikt tot op de millimeter. Van Genk vervaardigde de mooiste auto(trolley)bussen van afvalmateriaal en had een bijzondere passie voor regenjassen, kasten vol had hij ervan. Een raincoat bood hem bescherming tegen de boze buitenwereld, maar even goed kon hij zich er Napoleon in voelen. De fascinatie voor die raincoats is terug te voeren op de macht van de Gestapo, die de jonge Willem in WO II een keer een afranseling bezorgde.

De expositie bij Heden is het enige overzicht dat Willem van Genk in zijn woonplaats mocht beleven, zes jaar voor zijn overlijden. Met dertien schilderijen, enkele etsen en objecten weliswaar geen omvangrijke presentatie, maar wel een met enkele sleutelwerken uit zijn oeuvre, zoals World Airport (1965), Bouwend ’s-Gravenhage (1950/1960) en Mr. Petrov (ca. 1973). Deze worden nu ook in New York getoond.

bouwend_sgravenhage mr_petrov
Bouwend ’s-Gravenhage, 1950/60 (detail). Collectie stichting WvG/ Dr. Guislain Museum (l)
New York Strip/Mr. Petrov, ca. 1973. Collectie stichting WvG 

Willem van Genk, die zijn gehele leven in Den Haag vertoefde maar zich op menige Haagse plek een vreemdeling voelde, stamde uit een welgestelde Brabantse familie van architecten. Het torentje van Van Genk schijnt in Bergen op Zoom nog altijd een begrip te zijn. De kunstenaar was de jongste in een keurig gezin met negen meiden. Zijn opvoeding lag bij enkele zussen en een Brabantse tante, moeder Van Genk overleed toen hij pas 4 jaar was. Als kind leefde Willem in zijn eigen wereld, hij dagdroomde over reizen naar verre landen uit zijn atlas, heel Europa kende hij uit zijn hoofd. Urenlang kon hij op de grond liggen tekenen, onbereikbaar voor de buitenwereld. Een opleiding tot reclameschilder op de ambachtsschool was voor de onaangepaste Willem weinig succesvol. Omdat hij goed kon tekenen kon hij wel bij een reclamebureau aan de slag, maar luisteren naar opdrachten en die uitvoeren ho maar. Een baantje als medicijnbezorger, hij kende het hele stratenplan van Den Haag uit zijn kop, bleek ook aan hem niet besteed. Medicijnen kwamen te laat op hun bestemming, omdat hij alle tijd vergat. Liever ging hij ergens koffiedrinken, of urenlang naar treinen kijken. Langzamerhand begon men in te zien dat het in zijn bovenkamer niet was zoals bij de doorsnee mens. Van Genk kwam te werken in een werkplaats voor verstandelijke gehandicapten, AVO in de Sirtemastraat. Voor hem stond die afkorting voor Arbeid Voor Onvolwaardigen.

21 26
Station Berlin-Ost, ca. 1972. Particuliere collectie (l)
Great railroads of the world, ca. 1970. Collectie De Stadshof/Dr. Guislain Museum

In de versplinterde denk- en belevingswereld van Willem van Genk verliep nooit iets volgens een logisch patroon, zijn gangen waren onverwacht en onvoorspelbaar. Wat er allemaal niet door zijn hoofd raasde, daar kon een buitenstaander met zijn pet niet bij. Maar weinigen konden een touw aan zijn denkwereld vastknopen, onder hen, in enige mate, galeriehouder Nico van der Endt en schrijver Dick Walda, die de kunstenaar jarenlang onder hun hoede namen. Willem van Genk was schizofreen, had waandenkbeelden en ontwaarde altijd wel ergens een complot tegen hem. ‘Vreemd gespuis’ en ‘tuig van de richel’ spanden valstrikken en maakten hem angstig. Maar ook sissende locomotieven, tunnels en water of stationsoverkappingen die zo maar in huiveringwekkende zeppelins konden veranderen, beangstigden hem. Hij sprak erover zoals hij dacht: orakelend, meerdere verhalen tegelijk, die alle kanten uit floepten.

14
Kathedraal Pilsen, ca. 1975 (detail). Collectie Musée de Louvain-la-Neuve

Drie keer belandde Van Genk in de psychiatrische inrichting Bloemendaal in Den Haag. Veel patiënten die in een psychiatrisch ziekenhuis schilderen of tekenen, zijn schizofreen. Hun werk oogt overvloedig. Ook de schilderijen van Van Genk moesten vol, geen hoekje is leeg gebleven. Door bepaalde betekenisvolle beelden of grafische elementen te herhalen, overlaadde hij zijn doeken. Zo’n typische vormeigenaardigheid is een klassiek schizofreen stijlkenmerk. Ruimtelijkheid moet voor Van Genk ook een bizarre ervaring zijn geweest. De ruimteweergave in zijn werk is onsamenhangend, er wordt van alles uitgebeeld dat niet bij elkaar hoort, maar opmerkelijk is dat de compositie altijd – dwangmatig – geordend is. Dikwijls schilderde Van Genk tafrelen op handzame plaatjes board, waaraan hij telkens nieuwe elementen als architectuur of vervoermiddelen toevoegde. Ook knipte hij wel delen uit oudere tekeningen die hij in een nieuwe samenhang bracht. Vervolgens componeerde hij die tot één geheel, waardoor enorme taferelen ontstonden. Centraal in het midden dikwijls een tekening met een majestueus gebouw of een portret, een ondoorgrondelijke type zoals hij ook zelf was. Behalve zichzelf voerde hij architecten, dirigenten, dictators of andere machthebbers ten tonele. De kleurencombinaties zijn vaak grillig, veel met geel en rood, om een bepaald motief te beklemtonen. De inhoudelijke thema’s zijn specifiek, fantastisch en niet zelden angstwekkend. Van Genks uitbeeldingen zijn een realistische of gesymboliseerde expressie van zijn schizofrene beleveniswereld, vol wanen en hallucinaties, van dreigend gevaar van hogere machten of catastrofale gebeurtenissen. De in de voorstelling of in kaders verwerkte leuzen en teksten refereren aan bekende onderwerpen als treinen en vliegtuigen, maar verwijzen ook naar zijn seksuele obsessies. Naar kapsalons bijvoorbeeld, met hun roze gordijnen en mooie kapsters, waar vrouwen hun weelderig lange haar lieten wassen; de kunstenaar kon er behoorlijk opgehitst van geraken. Ook zijn fascinatie voor de politieke en sociale wereld komt in raadselachtige taal aan bod. Uren, dagen, weken moet hij aan een enkel werk besteed hebben, niet op een schildersezel, maar aan zijn kleine tafel of op schoot. Aannemelijk is dat hij zijn taferelen uit het hoofd schilderde.

Moskou (Sheffield)-Kiev 2 Keleti
Kievstation Moskou, 1958. Collectie Rijksdienst Cultureel Erfgoed (l)
Keletistation Boedapest, 1980 – 1990. Collectie Museum of Everything, Londen

Tot 1960 tekende Van Genk grote stadsgezichten, die tamelijk conventioneel van opbouw zijn. Aanvankelijk waren het potlood- en pentekeningen, later olieverfschilderijen, op de achterzijde aangevuld met knipsels. Veel inspiratie haalde hij uit prentbriefkaarten van en platenboeken over steden. Als een moderne stadsbouwmeester heerst hij over de totale, sinistere stad, waarin de mens als individu ten onder gaat. Dikwijls zijn ze in duistere tonen geschilderd. Vanaf 1961 ging hij zijn reisdromen waarmaken, stad en land reisde hij af. De eerste buitenlandse reizen vonden nog in het Westen plaats, naar metropolen als Parijs, Madrid, Rome of Wenen. Later verlegde hij zijn voorkeur naar Oost-Europese steden en naar Scandinavië, wellicht vanwege zijn politieke sympathieën. Moskou maakte de meeste indruk. Het Kievstation in de Russische hoofdstad en ook het Keletistation van Boedapest komen veelvuldig in schilderijen en tekeningen voor. Nico van der Endt verhaalt smeuïg over zijn reis met Van Genk naar New York in 1981. Hoe hij zich op stap voelde met een clochard, hetgeen niet echt een ontspannende bezigheid bleek. Maar Willem van Genk registreerde snel, scharrelde er rond en vond gemakkelijk alleen zijn weg, ook in de moeilijke metro, blijkbaar doordat hij in patronen en structuren dacht, die hij snel doorzag en alleen bij hem bekend waren. Op hun gezamenlijke reizen, die vooral verbonden waren met deelname aan exposities of beurzen, onthield hij alles wat hem interesseerde. Hij had er geen camera voor nodig.

6
Leningrad, 1955. Collectie Galerie Hamer

Muziek

Willem van Genk bezat een enorme fascinatie voor muziek, een niet onbelangrijk thema in zijn werk. Ik haal de muziek van Sjostakovitsj en van een van mijn favoriete componisten, Wilhelm Stenhammar er maar eens bij. De finale van Sjostakovitsj’ 5e symfonie was voor Van Genk een extatisch muzikaal moment, het achtste strijkkwartet hielp hem ‘door de modder, door de stront heen en verslaat al dat aanvallende tuig om me heen’. En bij alles van Wagner voelde hij zich goed, bij het horen ervan verlangde hij naar een mooi en beter leven. Klassieke muziek ervoer hij als hemels, ook al kon die, zoals de walsen van Strauss, ordinair zijn. Maar mensen haakten erop in, gingen erop dansen, dus gaf het hem een gelukzalig gevoel. Scuola di Ballo van Boccherini was zijn hit, maar ook Excelsior! Op. 13 van Stenhammar moet de kunstenaar bekoord hebben, naar zijn gevoel een componist die ten onrechte als ‘tweederangs’ beschouwd werd. Met hem lijkt Van Genk zich te identificeren, getuige zijn uitspraak: ‘Ik mag dan een beetje kunnen schilderen en wat van muziek weten: ik blijf verdoemd’. Net zo verdoemd als die Zweedse componist , wiens door Robert Thegerstrom geschilderde portret hij ongetwijfeld heeft aanschouwd in het Nationalmuseum in Stockholm. Muziek associeerde Van Genk dikwijls met stations of met Haagse plekken; zo stond de Waldeck Pyrmontkade voor balletmuziek van Tsjaikowski en het keurige Benoordenhout voor de Haffner-serenade van Mozart.

2
Roma Termini, achterzijde (detail), ca. 1965. Particuliere collectie

Vanaf 1958 volgt hij enige tijd de avondopleiding op de Haagse KABK. In die periode ontstond bij hem bewondering  voor de collages van Robert Rauschenberg. De achterzijde van Van Genks collage Roma Termini uit 1965 bijvoorbeeld, is geïnspireerd op het werk van de Amerikaan, die een jaar eerder jaar de Gouden Leeuw op de Biënnale van Venetië had gewonnen. Op voorspraak van de toenmalige directeur van de KABK Joop Beljon, kreeg Van Genk in 1964 een solotentoonstelling bij Steendrukkerij De Jong & Co in Hilversum. De schrijver W.F. Hermans viel de eer te beurt deze te mogen openen, om te eindigen met de volzin: ‘Van Genk is in een web gevangen, zoals iedereen, maar hij heeft toch het overzicht over het geheel behouden’. Dat jaar is Van Genk ook vertegenwoordigd op de tentoonstelling Nieuwe Realisten in het Haags Gemeentemuseum. Hij is dat jaar een beroemde curiositeit, zij het voor even. De grote doorbraak vond pas in 1986 plaats, met een eenmansexpositie in het museum Collection de l’Art Brut in Lausanne. De reis daar naartoe met Nico van der Endt ervoer Van Genk als een droom: niet langer was hij het uitschot, maar een gevierd kunstenaar. Inmiddels bezit dit museum de meeste werken van Willem van Genk.

Art Brut

apartment_house 02-Basquiat_Delta
Jean Dubuffet, Apartment Houses, Paris, 1946 (l)
Jean-Michel Basquiat, Kings of Egypt II, 1982, Collectie Museum Boymans van Beuningen/Hans Sonnenberg

Het werk van psychiatrische patiënten zoals dat van Willem van Genk, wordt als marginale, niet- officiële kunst beschouwd. Zijn vroege werk betitelde men als naïeve kunst, tegenwoordig heet hij een outsider te zijn. Jean Dubuffet (1901-1985), die zelf op primitieve wijze schilderde, bedacht in 1945 de term Art brut (‘rauwe kunst’) voor zijn eigen verzameling van niet professionele kunst van psychiatrische patiënten en andere outcasts. Volgens de Franse kunstenaar bestond er geen wezenlijk verschil tussen het werk van deze mensen en dat van echte kunstenaars met allerlei picturale conventies. Een echte kunstenaar zou je maatschappelijk gezien ook een onaangepaste eenling kunnen noemen, voor zover hij zich afzet tegen het gezag, dat hem met allerlei regels in het gareel dwingt. Om aan zijn gevoelens uitdrukking te geven denkt hij echter vanuit de vorm en is hij zich bewust van de mogelijkheden ervan; hij kan eruit kiezen om er een persoonlijke betekenis aan te geven. In die zin verschilt de kunstenaar van de psychiatrische patiënt, die juist niet in staat is die keuze te maken, zijn wereldbeeld is immers gesloten. Voor hem bestaat er niets buiten hemzelf, hij is zelf het middelpunt van de wereld, die hij ziet en ervaart als iets waarin alles vanzelfsprekend is. Ieder ding heeft een bijzondere bedoeling, die alleen de psychiatrische patiënt kan kennen.

In 1975 bood Jean Dubuffet zijn collectie aan de stad Lausanne aan, waardoor daar nu een unieke collectie Art brut te zien is van onder meer Aloïse, Carlo, Forestier en Adolf Wölfli (1864-1930), met wiens werk dat van Van Genk wel is vergeleken. Eind jaren tachtig nam de belangstelling voor Art Brut toe en werd de chaos van outsiders meer herkend. Met het werk van Jean-Michel Basquiat (1960-1988), in zijn kenmerkende naïeve, expressieve stijl, kwam het ook in de eigentijdse kunst dichterbij. De Rijksdienst Cultureel Erfgoed kocht werken van Willem van Genk aan, de tekeningen Moskou Kievstation en Orkest van Coburg; het Stedelijk Museum in Amsterdam verwierf er eerder ook al twee: de schilderijen New Japan of Tokio Osaka en Metrostation Opéra. Maar liefst vier werken schafte de Oostenrijkse kunstenaar Arnulf Rainer aan voor zijn beroemde verzameling Art brut-kunst: Pilsen 2, Leipzig, Russische tank, en een autobus. En Willem van Genk stond model voor de duistere figuur K.M. Wiegand, een van de hoofdpersonen in de getekende reeks verhalen van kunstenaar Marcel van Eeden, die in schilderingen van de kunstenaar de nodige inspiratie opdeed. Desondanks zul je het werk van Van Genk in musea van hedendaagse kunst niet of nauwelijks aantreffen. In die wereld beschouwt men hem als een buitenstaander, zo lijkt het.

15
8
 23. Eeden K.M Wiegand
Metrostation Opéra, 1964. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam (boven)
Tank II (Russische tank), ca. 1970. Collectie Arnulf Rainer, Wenen (l)
Cover boek K.M. Wiegand van Marcel van Eeden, getekend naar een foto van Willem van Genk

Het oeuvre van Willem van Genk omvat ongeveer honderd olieverfschilderijen en tekeningen in gemengde techniek, alsmede vijf etsen in verschillende kleuren, die hij tijdens zijn avondverblijf op de KABK maakte en door collega’s liet afdrukken. Voorts zeventig trolleybussen en honderden raincoats, die hij bewerkte, veelal met speciale knopen. De aanschaf ervan vond hij een zonde, maar ‘gelukkig is die zonde nooit te doden’. Ik denk dat je de raincoats daarom meer als een verzameling reissouvenirs moet zien, dan dat ze onderdeel van zijn kunst uitmaakten. Van Genk verzamelde alles wat los en vast zat. Zijn woning in de Harmelenstraat, waar hij ruim 35 jaar woonde, was ingericht en volgestouwd met honderden boeken en tijdschriften, posters, schilderijen, reissouvenirs, modellen van de Eiffeltoren, Mariabeeldjes, werkmaterialen, een groot autobusstation van afvalmaterialen et cetera. Het is een godswonder dat hij er aan zijn schilderingen kon werken.

BUSHALTE 2 bus
Willem van Genk in Stockholm, 1997 (l)
Trolley bus. Collectie stichting WvG/ Dr. Guislain Museum

25 Regenjas
Willem van Genk in Thomsonlaan, 1999 (l)
Raincoat

Het meeste werk van Willem van Genk is in bezit van de stichting Willem van Genk, die werd opgericht na de gedwongen sluiting van het voormalige museum De Stadshof in Zwolle in 2001. De eigen collectie van de stichting De Stadshof met onder meer zeventien werken van de kunstenaar, werd daarna samen met het bezit van de stichting Willem van Genk ondergebracht in het Museum Dr. Guislain in Gent. In Nederland wordt Van Genk vertegenwoordigd door Galerie Hamer in Amsterdam, die gespecialiseerd is in naïeve kunst en outsider art. Overigens wilde Van Genk slechts incidenteel zijn werk verkopen, en dan nog uitsluitend aan musea. Een overzicht van zijn werk in een museum van hedendaagse kunst, bij voorkeur in het Haags Gemeentemuseum, zou naar mijn mening recht doen aan de individuele kwaliteiten van de kunst van Willem van Genk.

11 22
Vallei de los Caidos, 1986. Collectie De Stadshof
Project Asberry II, ca. 1970. Collectie De Stadshof/Dr. Guislain Museum

 

Geraadpleegde literatuur, waaruit is geciteerd:

Dick Walda, Koning der stations. Amsterdam: Stichting Uitgeverij de Schalm, 1997
Ans van Berkum, Willem van Genk. Een getekende wereld = A marked man and his world. Zwolle: Waanders, 1998
Nico van der Endt, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking = Chronicle of a collaboration. Eindhoven: Lecturis, 2014

5 Comments

  1. Interessante invalshoek om juist de áchterzijden van Van Genks werken in verband te brengen met Rauschenberg!

  2. Pingback: 24 oranges » Willem van Genk’s crowded cities

  3. Mooie typering, Michiel, van een mens en zijn werk

  4. benieuwd hoe Rauschenberg te ervaren (Tate, London; wel eerder werk gezien) met opmerking over Willem van Genk in gedachten.
    Mooi stuk.

  5. Dit verhaal heb ik geactualiseerd en met 7 andere verhalen gebundeld in mijn boek ‘Breekijzer op het geheugen’, dat begin januari 2017 is verschenen bij uitgeverij De Zwaluw. Het is te koop voor € 12,60 inclusief verzendkosten.

Geef een reactie

Required fields are marked *.