Michiel Morel

In het hoofd van…

Hans Eijkelboom en Sedje Hémon op Documenta 14 in Athene en Kassel

| 3 Comments

Share



Sedje Hémon, ‘Embrasse en vain’, 1963, 33 x 75 cm (lo)
Hans Eijkelboom, uit ‘Dagboek/Diary 1992-2007’ (ro)

Voor het eerst vindt de Documenta plaats op twee locaties: traditiegetrouw in Kassel, dit jaar tevens in het straatarme Griekenland, in Athene. Het hoge politieke en activistische gehalte van deze Documenta wordt meteen al zichtbaar in de catalogus, die leest als een dagboek van het verleden. Hiervoor selecteerden de deelnemende kunstenaars een datum met een gebeurtenis, waar zij persoonlijk en politiek gezien een bijzondere betekenis aan hechten. Een foto daarvan lieten de deelnemende kunstenaars bij de beschrijving van hun werk plaatsen. Hans Eijkelboom, een van de Nederlandse kunstenaars op deze Documenta, koos voor 8 juni 1968, de dag dat het lijk van de vermoorde presidentskandidaat Robert Kennedy per trein van New York naar Washington DC werd vervoerd. Fotojournalist Paul Fusco reed mee en fotografeerde de toegestroomde mensen langs het spoor, die Kennedy de laatste eer bewezen. We zien een dwarsdoorsnede van het Amerikaanse volk: arm en rijk, zwart en blank, in korte en lange broek, met ontbloot bovenlichaam, in gestreepte en egale overhemden, zoals de door Eijkelboom uitgekozen foto van Paul Fusco toont. Fusco’s beelden van de RFK Funeral Train laten de ontreddering van het Amerikaanse volk zien, en hun toewijding aan de familie Kennedy, die in de jaren zestig stond voor hoop op een betere toekomst. Voor Hans Eijkelboom een dag waarop hoop omsloeg in wanhoop.

De Documenta in een notendop.


Tshibumba Kanda Matulu, De dood van Dag Hammarskjöld (l)
en Koning Leopold II in Congo (r), uit installatie over de geschiedenis van de Republiek Congo

Griekenland dus, waar crisis zich op crisis stapelt en de Europese dwangmaatregelen op economisch en financieel terrein in de hoofdstad zo zichtbaar zijn. Desondanks is Athene, dat ook nog eens worstelt met een omvangrijk vluchtelingenvraagstuk, een dynamische stad, waar zich als gevolg van de crisis een levendig kunstklimaat ontwikkelt. Het bracht een curatorenteam onder leiding van de Poolse artistiek directeur Adam Szymczyk ertoe, een deel van de megamanifestatie in Athene te laten plaatsvinden. Learning from Athens is de toepasselijke ondertitel van deze Documenta, waar in de kunstprojecten de brandhaarden van heden en verleden aan het oog voorbijtrekken: van de Armeense genocide tot de Russische Revolutie, van de Jodenvervolging tot de oorlogen in Irak en Afghanistan, niet te vergeten de brandhaarden in Afrika en zo kun je nog even doorgaan. Wat leert ons de geschiedenis? In het land dat de bakermat is van onze broze beschaving lijkt dat het belangrijkste motto van Documenta 14.



Rasheed Araeen, installatie op het Kotziaplein (stadhuisplein) (boven)
Sanja Iivekovic, Monument to Revolution (onder)

Al de eerste ochtend worden we er vanuit de ontbijtruimte in ons hotel mee geconfronteerd. We kijken uit op het stadhuisplein van Athene (Kotzia Square). Midden op het plein staat een fleurig, in geometrisch vormen opgetrokken paviljoen, dat een feestelijke indruk maakt. Vanuit de verte oogt het als een kleurrijke lappendeken, bij nadere inspectie blijkt het een prachtig uit de kluiten gegroeide feesttent te zijn, verdeeld in vierkante compartimenten, als terrasjes. Centraal, door kleurig tentdoek aan het oog onttrokken, is een comfortabele keuken ingericht. Het vormt het decor van het kunstproject van de Pakistaan Rasheed Araeen (1935). Hier kunnen bezoekers van de Documenta elkaar ontmoeten en tijdens een maaltijd in gesprek gaan met de bewoners van Athene en de underdogs van de Griekse samenleving. In Pakistan zijn de huizen te klein, vandaar dat Pakistanen hun bruiloften in kleurige, versierde tenten vieren, doorgaans vier dagen lang, zodat bruid en bruidegom en elkaars families elkaar goed leren kennen. Voor de Documenta ontwierp de bejaarde Rasheed Araeen dit feestelijke paviljoen, speciaal op deze plek, met de centrale markt om de hoek, waar de lokale producten voor de maaltijden worden ingeslagen. Tijdens de duur van de Documenta worden iedere dag in twee shifts 120 maaltijden bereid en gratis voor bezoekers geserveerd. Zo hoopte de kunstenaar dat de kunstliefhebbers, samen met de inwoners en de ontheemde daklozen en vluchtelingen gezamenlijk bij zijn kunstproject betrokken zouden geraken. Die opzet blijkt niet helemaal te slagen. Vooral de ontheemden, de daklozen en arme sloebers staan dagelijks in de rij om een kaartje voor een gratis maaltijd te bemachtigen. En op=op. Al schiet het concept van Rasheed Araeen als kunstproject zijn doel mogelijk voorbij, aan doemdenkerij doet hij niet. Het is een sympathiek en toegankelijk ontwerp, dat visueel goed werkt, maar ons meteen nadrukkelijk met de neus op de feitelijke situatie in Griekenland drukt. Zwervend door de stad, met de hooggelegen Akropolis voortdurend in het zicht, ontwaar je veel vormen van straatkunst in Athene, al of niet speciaal voor de Documenta ontworpen. Een indrukwekkend hoogtepunt is het Monument to Revolution, dat de Kroatische kunstenaar Sanja Iveković (1949) bouwde: een podium van geel baksteen tegen een felrode muur. De revolutie kan er morgen zomaar een aanvang nemen. In alle hoeken en gaten van de wereld heeft het curatorenteam rondgesnuffeld en kunstenaars geselecteerd wier werk aansluit bij het thema van deze Documenta, veelal kunstenaars die in het verleden onder de radar van tentoonstellingsmakers zijn gebleven. De meesten zijn mij volslagen onbekend, maar dat maakt een bezoek aan deze Documenta tot een spannende ontdekkingstocht. Mij frappeerde de aanwezigheid van de twee Nederlandse kunstenaars Sedje Hémon en Hans Eijkelboom. Met beiden organiseerden we bij kunstcentrum Heden, toen nog onder de vlag van Artoteek Den Haag, al bijzondere kunstprojecten. Nu zij op deze plek in het zonnetje worden gezet, blik ik graag terug op beide kunstenaars en hun werk.

Sedje Hémon, componist van alle kunsten (1923-2011)


Sedje Hémon, Overzicht op Documenta 14

Bij Heden volgden we voor de opzet van de tentoonstelling in 2003 Sedje Hémons ontwikkeling over de periode van 1956 tot 1963, in zestien schilderijen en enkele lino’s. Met een presentatie op de Documenta wordt deze in Nederland onderbelichte Haagse kunstenaar aan de vergetelheid onttrokken. In een intieme setting zijn hier zeven belangrijke schilderijen van haar te zien. Plaats van handeling is het  Conservatorium, gevestigd in een modernistisch, Bauhaus-achtig complex in de ambassadewijk van Athene. Sedje Hémon: beeldend kunstenaar, componist, muziektheoreticus, uitvinder, Joods en oorlogsoverlevende. Een ongekend eigenzinnige en unieke persoonlijkheid die in haar kunstenaarsbestaan de grenzen van de individuele vrijheid op het gebied van de beeldende kunst en muziek tot het uiterste heeft afgetast, disciplines die zij volgens een objectieve methode, gebaseerd op muziektheoretische wetten, wist te integreren. Hémons schilderijen zijn abstract. Ze bestaan uit elegant draaiende, rechte of hoekige lijnen, vlakken en een veelheid aan kleuren, die zich harmonieus op het doek bevinden. De lijnen bewegen in alle richtingen en suggereren dansende sprongen, zonder herkenbare, specifieke vorm. Het is haar innerlijke wereld van emoties, gedachten en ideeën, die Sedje Hémon in haar kunst zichtbaar maakte, gelijk een componist dat in zijn partituur doet. Haar werk kom je vooral tegen in collecties die zich verhouden tot het klimaat van de naoorlogse beweging, toen de abstracte kunst furore maakte en de focus op Parijs lag, waar zij in de jaren vijftig ook enige tijd woonde. In Nederland maakten kunstenaars als Joost Baljeu, Willy Boers, Willem Hussem, Piet Ouborg en Hémons tekenleraar op de lagere school Willem Schrofer er deel van uit. Op een na dateren de op de Documenta getoonde schilderijen uit 1963, alleen Lignes ondulatoires vervaardigde zij in 1957. Een feest om na lange tijd weer een select aantal van haar schilderijen op een innig aan de muziek verbonden plek terug te zien.


Sedje Hémon, ‘Lignes ondulatoires’, 1957, 65 x 100 cm (l)
‘Balance périlleuse’, 1963, 21,5 x 28 c (r)

Sedje Hémon was een doorzetter, die dwarsdenkend haar eigen koers uitstippelde. Stippen en lijnen, die ze met elkaar verbond, tekende ze als kind al. Ze vormen de grondslag voor een geheel eigen stijl, die zich vanaf 1954 in schilderijen, lino’s en keramiek zou manifesteren. Ruim voor de Tweede Wereldoorlog, waarin ze aan het verzet deelnam, ging ze viool studeren. Zij bleek zeer talentvol. Tevens zette zij zich aan het componeren. Door het verzetswerk belandde ze in concentratiekampen – ze overleefde Auschwitz – hetgeen haar na de oorlog de nodige medische problemen bezorgde. Een vioolcarrière moest zij daardoor opgeven, waarna zij jarenlang onderzoek verrichtte op het gebied van schilderkunst, viool- en muziektheorie. Het betekende het begin van een kunstenaarscarrière waarin zij een eenheid tussen muziek en haar schilderkunst ontdekte. Sedje Hémon leverde het bewijs dat de picturale structuren in haar schilderijen en lino’s muziekcomposities herbergen.


Sedje Hémon, Compositie van het schilderij ‘Harmonie’
en uitgeschreven partituur van het notenbeeld van ‘Harmonie’

Belangrijke orkesten als het Amsterdams Philharmonisch Orkest en het Symfonieorkest van Athene voerden in de jaren zestig composities van haar schilderijen uit; het laatste orkest zelfs verschillende, waaronder Vibrafoonsolo met orkest, afkomstig van het schilderij Lignes ondulatoires. Deze fraaie compositie staat ook op de cd Componist van alle kunsten, bij de gelijknamige catalogus die de Haagse tentoonstelling in 2003 begeleidde*. In die catalogus heeft Philip Peters helder inzichtelijk gemaakt hoe de picturale (schilderij) en de muzikale (partituur) compositie van lijnen en/of vlakken van schilderijen door Hémon geïntegreerd zijn en gelezen moeten worden. Begrijpt men Hémons methodiek en past men die op de juiste wijze toe, dan fungeren haar schilderijen als een soort notenschrift. Renate Boere heeft in de vormgeving van de catalogus een glimp van die methode uitgelegd, door half transparante pagina’s in te voegen, die een deel van de wiskundige formule tonen waaraan Sedje Hémon haar muziek ontleende (zie de illustratie van het schilderij Harmonie). Maar wat jammer dat op deze Documenta geen enkele compositie van schilderijen te beluisteren valt. Nergens wordt uitleg over de muzikaliteit van haar werk verstrekt, terwijl daar in het Conservatorium alle mogelijkheden toe zijn, gezien de presentatie van andere geluids-kunstwerken. Daarmee wordt haar werk tekortgedaan. Een omissie, die zich overigens bij veel tentoongestelde werken in Athene manifesteert. Sedje Hémons aanwezigheid op de Documenta is juist stellig te verklaren vanuit de combinatie abstracte kunst en muziek. Bovendien zijn haar composities in de jaren zestig enkele malen door het Symfonieorkest van Athene uitgevoerd. Volgens de stichting die haar nalatenschap beheert, is Hémon zelfs de enige kunstenaar die in staat is gebleken abstracte kunst in muziek te vertalen. Haar eerste cd uit 1997 bevat Griekse muziek, een compositie van het eerste klassieke concert voor panfluit en symfonieorkest in drie delen, afkomstig van drie schilderijen, gespeeld door een van haar leerlingen. In 1964 had ze de panfluit al herontdekt – ze bouwde die instrumenten ook zelf – jaren later bracht ze de panfluit terug naar zijn land van oorsprong, Griekenland. Ook diverse publicaties, onder andere van Hans Jaffé in het standaardwerk Hémons Integratie der Kunsten (1996) en Philip Peters’ essay Componist van alle kunsten (2003), zullen hebben bijgedragen aan de beslissing om op de Documenta de nodige belangstelling voor haar kunst te wekken.


Sedje Hémon, ‘Indignation’, 1963, 94 x 75 cm (l)
‘Le message’, 1956, 45 x 100 cm (r)

Sedje Hémon overleed in 2011. Het trauma van de oorlog wist zij om te vormen tot een kwaliteit waarmee zij ons door middel van haar werk uitzicht op een betere wereld wilde bieden. Het meest passende bewijs liet zij op haar afscheidskaart achter: een afbeelding van het monument Nirwana, ter nagedachtenis aan haar ouders, die op 14 februari 1943 in Auschwitz zijn vermoord. Het onderstreept nadrukkelijk dat niet alleen het werk, maar bovenal haar mentaliteit en doorzettingsvermogen past in de politieke agenda van de organisatoren van deze Documenta. Sedje Hémon is in Athene weer op de kaart gezet, en wordt dat dadelijk ook in Kassel, waar nog eens tien schilderijen van haar te bezichtigen zijn. Ook een van haar vroege werken, Le message (1956), dat we indertijd in Den Haag toonden.

Hans Eijkelboom (1949)



Hans Eijkelboom, De drie communisten, 1975 (boven)
Hans Eijkelboom, uit ‘The street & modern life’, Birmingham, 2015 (onder)

De tweede Nederlandse kunstenaar op Documenta 14 is Hans Eijkelboom, een zeer passende keuze, deze authentieke, van oorsprong Arnhemse beeldend kunstenaar. Niet alleen vanwege zijn maatschappelijke betrokkenheid, maar bovenal door zijn nu al historisch geworden onderzoek naar de relatie tussen de dagelijkse leefomgeving en een veranderend wereldbeeld, dat al meer dan een halve eeuw omvat. Hij is er zo’n beetje de uitvinder van. Al vanaf zijn opleiding aan de academie in Arnhem gebruikt Hans Eijkelboom de fotografie als medium. Op menige tentoonstelling en prestigieuze manifestatie in binnen- en buitenland was zijn werk te zien. Het komt me voor, dat dat altijd op een te bescheiden wijze gebeurde. In standaardwerken over fotografie komt hij er ook wat bekaaid vanaf, wellicht doordat zijn werk zich zowel tot de documentaire fotografie als, in veel sterkere mate, tot de conceptuele kunst verhoudt. In Athene is hij in ieder geval prominent aanwezig, daar is zijn ongekunstelde fotowerk te zien in het gloednieuwe museum voor hedendaagse kunst. Gedurende dertig minuten glijdt langzaam een stoet van door de kunstenaar gefotografeerde anonieme personen aan het oog voorbij. Zonder dat zij zich daarvan bewust waren, zijn ze in eenzelfde pose door Eijkelboom vastgelegd, in de alledaagse omgeving van (winkel)straten. Sneaky gefotografeerd, zijn camera verscholen, argeloos op zijn borst of langs z’n zij hangend, de ontspanner verstopt in zijn zak. Zo vangt de kunstenaar wie hij wil. In blokken van tien of twaalf fotoportretten schuiven ze stil maar levendig aan ons oog voorbij. Ze onderscheiden zich door uiterlijke kenmerken: mannen in T-shirts met vette tatoeages op hun armen, jonge vrouwen met handtas in leren jacks, personages in bomberjacks, et cetera. Dat is wat het werk van Hans Eijkelboom kenmerkt: hij sorteert en registreert zijn personages aan de hand van uiterlijke kenmerken, veelal op soortgelijke kleding, haardracht, eenzelfde gelaatsuitdrukking of voorwerpen die zij met zich meedragen. Zo wordt duidelijk hoe het uiterlijk onze identiteit bepaalt. En mocht men de illusie hebben een uniek persoon te zijn: vergeet het maar. De kunstenaar laat je in de gewone werkelijkheid van de straat zien dat je altijd deel uitmaakt van een groep. Maar ook dat ieder individu zijn eigen identiteit kan kiezen, zonder aan een bepaalde maatschappelijke positie gebonden te zijn. Bij tijd en wijle tot in het ongerijmde toe.


Hans Eijkelboom, People of the 21st century

In zijn fotowerken geeft Hans Eijkelboom een getrouw beeld van een door hem gesignaleerde werkelijkheid, die hij naar eigen inzicht interpreteert. Feitelijk zet hij zelf ieder beeld in scène, waarbij het toeval een belangrijke rol speelt. Wat hij ons wil tonen, is het idee waarmee hij inventariseert en registreert, en de betekenis die hij aan het beeld wil ontlenen. In die zin drukt de kunstenaar zijn eigen ideeën uit, iets wat voor conceptuele kunst altijd van belang is. Zijn kunst is een ellenlang onderzoek naar de wijze waarop de samenleving zich door de jaren heen ontwikkeld heeft. Daarmee heeft hij ook de rol van archivaris op zich genomen, die het verstrijken van de tijd conserveert. Waarschijnlijk was dat ook zijn opzet toen hij op 8 november 1992 aan zijn fotografisch dagboek begon, dat hij vijftien jaar lang bijhield. In die periode maakte hij zes dagen per week, maximaal twee uur per dag tussen de één en de tachtig foto’s, teneinde zijn leven bij te houden door beelden van zijn dagelijkse omgeving vast te leggen: met familie, vrienden en kunstbroeders, met passanten of mensen op publieke evenementen, bezoekers van tentoonstellingen, maar ook van straten en huizen, in nieuwbouwwijken en oude stadsdelen. En met thematische fotoreeksen van anonieme mannen met een groene jas, vrouwen met een geel jack, winkelende moeders en dochters of kantoorklerken met stropdas, met wie hij de dagelijkse dingen deelt. Met dit dagboek, begonnen als een onderzoek naar het ontstaan van eigen identiteit en wereldbeeld, heeft Eijkelboom een fascinerend beeldarchief opgebouwd dat een dwars- én tijdsdoorsnede biedt van de kleedcultuur, uniek in de geschiedenis van de Nederlandse fotografie. Hans Eijkelboom is mede geïnspireerd door de Duitse fotograaf August Sander (1876-1964), die in zijn ambitieuze project Menschen des 20. Jahrhunderts de maatschappelijke orde van Duitsland in de jaren voorafgaand aan Tweede Wereldoorlog in beeld bracht. Hun beider werk is overigens in 2012 op de Biënnale in São Paolo getoond.


Hans Eijkelboom op pad

Hans Eijkelboom volgde eind jaren zestig de studie Monumentale Kunst aan de academie in Arnhem, waar hij zich met de gebouwde omgeving bezighield. Maar al tijdens die opleiding raakte hij steeds verder verwijderd van de monumentale vormgeving. Objecten maken, het ontwerpen van patronen en het werken met kleur op vormen pasten niet in zijn denken. Liever registreerde hij met foto’s zijn projecten en plannen voor de gebouwde omgeving, die belangrijker werden dan de plannen zelf. Zo dacht de jonge kunstenaar in spe kunst toegankelijk te maken voor een brede groep mensen. Het was de turbulente tijd van het begin van de jaren zeventig, de opkomst van de conceptuele kunst, waarin veel kunstenaars de camera hanteerden om bepaalde gebeurtenissen vast te leggen, vaak in combinatie met tekst.


Hans Eijkelboom, uit ‘Identiteiten/Identity’, 1976 (l)
Hans Eijkelboom, uit ‘Dagboek/Diary 1992-2007’ (r)

In zijn vroege werk gebruikte de kunstenaar vooral zichzelf als model, in zijn onderzoek naar de invloed van het uiterlijk op de identiteit van het individu. Vervolgens zocht hij in zijn werk naar de relatie tussen leefomgeving en wereldbeeld. Hij probeerde die al vroeg zichtbaar te maken in de reeks Identiteiten (1976). Daarin vroeg hij een aantal mensen, die hij jaren geleden goed kende, maar daarna nooit meer zag, of zij zich Hans Eijkelboom nog konden herinneren en welk beroep men dacht dat hij uitoefende. De een dacht dat hij een idealist was geworden, een ander zag hem als een keurige bankbediende, boswachter of straaljagerpiloot. Bij elk interview is een foto gemaakt van Hans Eijkelboom, waarop hij het door de ondervraagde toebedachte beroep uitoefent. Voor een ander project vroeg hij mensen met hem mee te gaan naar het centrum van Arnhem en hem typische voorbeelden van mensensoorten aan te wijzen: de typische punk, de typische rijke stinkerd of de typische armoedzaaier. De aangewezen types legde hij op foto vast. Allengs maakte hij zo zichtbaar hoe dagelijks herhalende ervaringen en waarnemingen langzaam dat wereldbeeld vormen, hetgeen resulteerde in de reeksen van voorbijgangers waarin hij de relatie tussen individu en massa in een globaliserende maatschappij onderzoekt. De winkelstraat als podium, een fenomeen waarvan je volgens Eijkelboom iets leert over de wereld van nu en waar de wereld zich voor een aanzienlijk deel ontwikkelt, de plek waar consumptie en sociaal gedrag de vormende kracht uitoefenen. Zijn aanpak is simpel. Een tijdje rondhangen in een bepaald winkelgebied, achter mensen aan hobbelen en kijken wat hem opvalt: gearmde stellen, vrouwen in een rode jas, meisjes in gele of mannen met gestreepte stropdassen of bedrukte T-shirts. Op zo’n verschijningsvorm richt hij zich. De foto’s groepeert hij in reeksen, die weer nieuwe thema’s aanleveren. Voor de kunstenaar is het een kwestie van organiseren: selecteren, ordenen, schema’s maken, herhalingen en vergelijkingen maken, en het toeval proberen te sturen, teneinde het meest waarachtige proces te inventariseren.


Hans Eijkelboom, uit ‘A meeting on the street’, 2004

Op uitnodiging van de voormalige Artoteek Den Haag verbleef Hans Eijkelboom in 2003 enkele maanden in Kunsthuis 7X11 in de Haagse Vinexwijk Ypenburg. Dat riante woonhuis had Artoteek Den Haag in 2001 verworven, kunstenaars konden daar tijdelijk als artist-in-residence wonen en werken. Met Kunsthuis 7X11 wilden we deel uitmaken van de nieuwe Haagse stedelijke uitbreidingen, enerzijds door de nieuwe bewoners te confronteren met kunstenaars en hun gedachtegoed, anderzijds door de Ypenburgers te activeren om zelf in kunstprojecten te participeren. Aanvankelijk verkende Hans Eijkelboom kritisch de nieuwe locatie, om die volgens zijn bekende principe in huizen en straten vast te leggen. Al doende werd hem duidelijk dat grootschalige nieuwbouwprojecten zoals Vinex-locaties de oplossing van een schier onmogelijke opgave zijn. Hij raakte daardoor ook geïnteresseerd in eerdere stadsuitbreidingen van Den Haag. Aldus trok hij ook door Duindorp (1920-1930), Moerwijk (1949-1955) en Houtwijk (1978 – 1984). Door de foto’s – uitsluitend van huizen en straten en zonder mensen –  uit deze verschillende wijken met elkaar te combineren, ontstond een foto-essay dat de complexiteit van deze stadsuitbreidingen zichtbaar probeerde te maken. Enige vergelijking dringt zich hier op met het werk van het Duitse kunstenaarspaar Bernd Becher (1931-2007) en Hilla Becher (1934-2015), die hun foto’s rangschikten naar een type industrieel complex, bouwwerken met dezelfde functie en in vergelijkbare stijl. In de tentoonstelling in 7X11 presenteerde Eijkelboom de Haagse foto’s in de vorm van digitaal geprinte bladen.


Hans Eijkelboom, uitgave Hans Eijkelboom/Artoteek Den Haag, 2004

De fotowerken van Hans Eijkelboom etaleren zonder opsmuk het doorsnee-leven in een veranderende samenleving. Niet spectaculair, maar ze roepen bovenmatig veel verbeeldingskracht op, waardoor je als kijker in je eigen werkelijkheid wordt meegedreven. De caleidoscopische presentatie op de Documenta – een verrassend tentoonstellingsmodel, deze verfilming van een Photo Notebook – waarin de meest uiteenlopende types voorbijschuiven, versterkt dat beeld. Ze leiden tot denkbeeldige interactie met deze anonieme personen, wier voorbijtrekkende registraties je voortdurend zou willen stilzetten en terughalen. Desondanks maken Eijkelbooms kleurenfoto’s geen vluchtige indruk, zoals dat nu met de home-moviekwaliteit van Iphones en Ipads het geval is. Juist diepgang kenmerkt dit werk. Het viel op hoeveel mensen dertig minuten lang geboeid naar The street and modern life bleven kijken. In Kassel gaat Hans Eijkelboom in het Stadtmuseum Photo Notes laten zien, 272 fotonotities die hij de afgelopen 25 jaar maakte. In de Neue Galerie is De Drie Communisten te bewonderen (zie afbeelding). En mocht  je niet aan deze Documenta toekomen, het Fotomuseum Den Haag opent op 23 september aanstaande een groots overzicht van zijn werk. Om alvast naar uit te kijken.

*Op de cd Componist van alle kunsten staan nog negen andere composities, afkomstig van Hémons schilderijen en lino’s: Embrasse en vain (Dodenherdenking, orgelsolo), dat ook in Athene hangt, Harmonie ( 3e deel van de suite), Caprice (4e deel van de suite), Spontanément (Nooit meer een Auschwitz), Se contre-balancer (2e deel van het vioolconcert), On y dance (1e deel van het panfluitconcert), Mouvement d’un adagio (voor symfonieorkest), alsmede twee composities die niet van een schilderij of lino afkomstig zijn: de vioolsolo Fantasie en de pianosolo Pour les mourants.

De hoofdmoot van de Documenta 14 in Athene speelt zich af op vier locaties: in het Conservatorium (Odeion); in het EMST, het Nationaal Museum van Hedendaagse Kunst dat bij gebrek aan financiële middelen jarenlang gesloten was, maar voor de Documenta is geopend; op de kunstacademie (ASFA), gevestigd in een voormalige wolspinnerij en in een gedeelte van het moderne, private Benakimuseum. Behalve in het EMST is de entree op de hoofdlocaties gratis. In Athene is de Documenta nog tot 16 juli te bezoeken, in Kassel van 10 juni tot 17 september aanstaande.

Geraadpleegde literatuur

  • Hans Eijkelboom, Gerrit Willems (inl.), Hans Eijkelboom. Hans Eijkelboom. Fotografisch werk uit de periode 1971 tot 1999. Fotowerken, photoworks. Arnhem: Hans Eijkelboom, 1999.
  • Philip Peters, ‘Sedje Hémon, componist van alle kunsten’. In: Sedje Hémon. Componist van alle kunsten. Den Haag:  Artoteek Den Haag, 2003.
  • Hans Eijkelboom, Duindorp, 1920-1930, Moerwijk, 1949-1955, Houtwijk, 1978-1984, Ypenburg, 1998-2007. Een foto-essay naar aanleiding van wandelingen door vier wijken in Den Haag. Den Haag: Artoteek Den Haag, 2004.
  • Hans Eijkelboom: São Paulo. Op blog De wereld werkt in Arnhem, Peter Nijenhuis in gesprek met Hans Eijkelboom, 24 maart 2012.

Zie ook voor Sedje Hémon:  https://sedjehemonstichting.nl/biografie-sedje-hemon/
en voor Hans Eijkelboom:  https://www.photonotebooks.com/

Ook op de Documenta in Athene gezien:


Hiwa K., One Room Apartment (l)
Synnøve Persen, Sámi Flag Project (r)

 
Guillermo Galindo, textielwerk uit de serie Border Cantos


Allan Sekula, School is a factory (1978-80) (l)
Britta Marakatt-Labba, Färden, de uitvaart (r)

3 Comments

  1. Hoi Michiel, weer en geweldig mooi stuk om te lezen. Zo bijzonder jou passie voor kunst, bewonderingswaardig en uniek. Groet van Ingrid Mol

  2. Thank you for your post! I was happy to read your blog post and of course, I know your publication of 2003 quite well.

    Since you are interested in how Hémon’s work came to documenta, I would like to refer you to this post: http://dutchartinstitute.eu/page/9764/how-an-encounter-between-our-alumna-the-artist-writer-and-researcher-marianna

    Last year, composer Andrius Arutiunian and I started researching Hémon’s work. When I met one of the documenta curators last summer (Bonaventure Soh Bejeng Ndikung) we made an effort to bring her work into that international spotlight.

    We agree that Hémon’s work needs more dialogue around it. In fact, that is partly what Andrius and I are trying to create – more dialogue and contextualization in a contemporary context.

    Earlier this year I published an article in English called “Profanatory Translation” connecting Hémon’s work with my own in the Dutch academic journal Kunstlicht (affliated with the VU Amsterdam). Meanwhile, Andrius and I are both working on new pieces (compositions and performances) that are connected to Hémon’s practice and will be performed within the coming year. For information about Sedje Hémon in English, and to subscribe to the mailing list, please check: http://www.sedjehemon.org

Geef een reactie

Required fields are marked *.