Michiel Morel

In het hoofd van…

Elke stap is een volgende onontkoombaar: de kunst van Sef Peeters

| 4 Comments

Share

12-Echt-HCAK-Den-Haag-1990 25
HCAK, Den Haag, 1990 (l)
Jouw Huis Is Mijn Huis, 1994 in Centraal Museum Utrecht

De kunstenaar rust. Met deze anonieme advertentietekst (en verder niks) kondigde kunstenaar Sef Peeters (1947) in 2010 in Metropolis M een time-out af. In een periode dat hij een beetje in wanhoop tegen zijn eigen werk aan zat te kijken woedde in hem een tweestrijd tussen kunst maken en studenten begeleiden. Even kon hij niet de ‘inkeer’ opbrengen zich met zijn eigen kunst bezig te houden, hij vindt zichzelf ook niet de meest gemakkelijke maker van kunst. Voorlopig werd het dilemma in het voordeel van coördineren en lesgeven beslecht, aanvankelijk op het Groningse Minerva, later op AKV St. Joost in Den Bosch en in zijn woonplaats Breda. In deze stemming deelde hij aan vijf kunstenaarsinitiatieven een houten zitbank uit, met het verzoek hun kunstenaars erop te laten rusten en het gebeuren vooral niet te documenteren. Het idee voor de rustbank bedacht Sef Peeters als cadeautje voor het Kabinett für aktuelle Kunst in het Duitse Bremerhaven – hij maakte daar al in 1980 een werk – maar deze vorm van Ruhezeit ging in een bezeten tijd van aangekondigde bezuinigingen niet door.

1 26
2.-Polite,-Brutal....etc.-coll
De kunstenaar rust. In MetropolisM 4-2010 (boven)
Polite, Brutal……., 1996. Collectie Heden

Tweestrijd, het kenmerkt Sef Peeters in optima forma, zijn kunst is doordrenkt van dubbelhartigheden met als centraal motief: slagen of falen. In welke kunsthistorische context of bij welke kunstdiscipline je Sef Peeters moet plaatsen, zou ik niet direct weten. Ooit ging hij door voor een performancekunstenaar, die in de taal van eigen lijf en leden het belangrijkste uitgangspunt vond, met name in foto- en videowerken. Aan schilderen heeft hij zijn handen niet erg vuil gemaakt, het gaat hem meer om de visuele zinnelijkheid, dan om de materie. Evengoed kun je hem als een conceptuele kunstenaar met minimalistische trekken zien. De laatste twintig jaar is hij een echte taal-kunstenaar, al is dat geen officiële kwalificatie. Menigeen zal zijn kunstwerken kennen waarin hij aan taal morrelt. Van woorden kunst maken, Sef Peeters is er een meester in. Zeker is dat zijn kunstenaarschap alles te maken heeft met zijn persoonlijke belevingswereld, die de kwetsbaarheid en voortdurende dilemma’s van de kunstenaar voelbaar maakt. In zijn veertigjarig kunstenaarschap mogen de middelen waarvan hij zich bedient veranderd zijn, zijn beeldtaal is altijd frank en vrij gebleven, evenzeer direct als subtiel en van een mooie eenvoud. Enige melancholie is hem niet vreemd.

4 3
Installatie Museum Boijmans Van Beuningen, 11 oktober 2014 – 14 april ‘15

Tot medio april dit jaar was in Museum Boijmans Van Beuningen een respectabele installatie van Sef Peeters te zien, pas onlangs bedacht hij er de titel Over de houdbaarheid voor. In dat werk confronteerde hij ons met prangende vragen over het kunstenaarschap. Om de meest indringende maar eens naar voren te halen: ‘wanneer heeft een kunstenaar gefaald?’ Ga er als kunstenaar maar aan staan. Mij ontroerde de wijze waarop Sef Peeters in deze installatie de kunstwereld op scherp zette en ons de tragiek ervan deed voelen. Als we die wereld in de vorm van een piramide bekijken, dan functioneren in de top de beste musea, de eersterangsgaleries en de voornaamste kunstverzamelaars. En ja, je zou ze bijna vergeten, de kunstenaars, die ook deel uitmaken van die bovenlaag. Wat is er mooier dan in de collectie van een gerenommeerd museum te zitten, of door een topverzamelaar te worden aangekocht? Echter de praktijk blijkt weerbarstig. Veel werk komt vroeg of laat in de verdrukking en vliegt uit de toplaag, die door de tijd heen steeds van kleur kan verschieten. Kunstwerken kunnen zomaar in de krochten van (overvolle) depots afdalen en in vergetelheid raken. Controversiële opvattingen en wisselende voorkeuren van museumdirecteuren en curatoren zullen er debet aan zijn. En menig verzamelaar schoont z’n verzameling na verloop van tijd op. Ik heb er de catalogi eens op nageslagen, waarin de voormalige Rijksdienst Beeldende Kunst tussen 1983 en 1992 zijn kunstaankopen verantwoordde, verwervingen van kunstenaars die zich toen in de spits van de kunstpiramide bewogen. Het betrof veelal generatiegenoten van Sef Peeters, geboren tussen 1940 en 1960. Een respectabel aantal van hen maakte deel uit van zijn installatie in Boijmans. Voor dat werk schreef de kunstenaar op een lange wand in spiegelbeeld, aaneengesloten, de namen van Nederlandse generatiegenoten, wier werk zich in de collectie van het Rotterdamse museum bevindt. Er tegenover plaatste hij hun ingepakte, voor het oog niet zichtbare kunstwerken in een stellage, gestapeld in kisten en kratten, gerangschikt in dozen en plastic verpakkingsmateriaal. Stellig functioneert een behoorlijk aantal van de genoemde collega’s nog in menige presentatieplek, maar het overgrote deel van het werk van deze generatie bevindt zich echter, min of meer vergeten, in depots. En de ateliers van die kunstenaars puilen vermoedelijk ook uit. Wat te doen met zijn eigen uitpuilende opslag – stille getuige van een verleden – nu Sef Peeters zijn eigen einde ziet naderen? Heeft hij vergeefs gewerkt? Het triggerde hem tot het maken van werken voor zijn exposities bij het Tilburgse Argument (2011) en Galeria AT in Poznan in Polen (2013). Aldus confronteerde Sef Peeters ons met vragen over de houdbaarheid van kunstwerken. Is een kunstwerk onsterfelijk als het niet (meer) gezien wordt, of is het dan klinisch dood? Zo dwong hij de kijker na te denken over de vraag wat de betekenis van een opgeborgen kunstwerk is, en hoeveel zin het maken van kunst nog heeft. Ze leven nog, die kunstenaars, althans de meeste, maar met Sef Peeters voelen zij de klok tikken. ‘Dood hoe zal dat zijn?’ waarmee die lange wand met 228 namen tot een dun vlies was gemodificeerd, als metafoor voor een omvangrijke groep kunstenaars die nog leeft en zij die er ‘waren’ en voor wie je mag hopen dat hun kunstwerken aan de sterfelijkheid ontsnappen. Zoals het zich laat aanzien, zullen musea hun verdekte kunstwerken wel behouden – musea ontkennen volgens Sef Peeters immers de eindigheid – maar of wij en volgende generaties ze nog kunnen aanschouwen, valt te bezien. Namen van kunstenaars zullen uiteenvallen, in stukken en letters, een handeling waar Peeters patent op heeft. De meesten zullen vergeten raken. Voor Peeters zullen deze vakbroeders samen de herauten van hun tijd blijven en de voedingsbodem creëren voor nieuwe kunst. Zo weet hij een mogelijke toekomst voor zijn collega’s te duiden: richt je altijd op iets groters dan het tijdelijke en spoor de kijker aan te genieten van het moment. Eens betoogde Sef Peeters voor studenten dat hij nooit zijn ambities had uitgesproken over wat hij wilde bereiken, en dat hij daarom als kunstenaar had gefaald. Een pakkend statement, waaruit student Niek Hendrix de les trok dat je als kunstenaar eerst moet vaststellen wat je wilt bereiken, dat goed moet laten merken om er vervolgens voor te gaan. En om nog even door te gaan op Over de houdbaarheid (een mogelijke titel voor een werk?): na zijn time-out kon Sef Peeters zijn kunstenaarschap weer snel tot leven brengen. ‘Natuurlijk maakt een kunstenaar werk, het reflecteert op het leven en maakt hem bewust van het leven. Het maken van kunst geeft zin tot leven. Als ik aan het afsterven ben, gaat door het maken van werk het bloed weer door mijn aderen stromen’, zegt de kunstenaar. De toelichtende tekst van curator Els Hoek bij zijn tentoonstelling in Rotterdam, onderstreepte helder de boodschap die hij wilde uitdragen, namelijk dat de hoeveelheid kunst die wordt gemaakt de humus is, die de bodem van de kunst verrijkt. Waar een nieuwe generatie kunstenaars op kan teren.

6.-IK,-Billboard 7. IKdraaiers bij St IK
IK, Billboard, 1993. Gemeente Breda (l)
IK draaiers, opstelling bij Stichting IK in Oost-Souburg

Met zijn installatie in Museum Boijmans Van Beuningen raakte Sef Peeters zijn eigen beladen IK, de letterlijke persoon Peeters die hij is en over wie hij kunst maakt, tegelijk de IK die hij niet is maar het IK van iedereen. In ieder geval de IK waarvan de kunstenaar hoopt dat die door iedereen wordt beleefd als zijn eigen IK. Deze twee vertrouwde letters duiken in menig werk van hem op, vaak in extreme gedaantes: de IK die zomaar wordt ‘neergesabeld’, dan wel de Ik die op een voetstuk is geplaatst. Aan veel elementen uit het dagelijks leven ontleent Sef Peeters zijn beeldtaal, bijvoorbeeld roterende reclameborden, die je vaak bij benzinestations aantreft. Een van zijn IK-werken bestaat uit vijf stalen windrotatiemolens, beschilderd in felle kleuren, met het opschrift IK, onlangs nog getoond bij Stichting IK in Oost-Souburg. Door er vijf op rij neer te zetten en de kleur te laten verspringen trekken ze al roterend onmiddellijk de aandacht. Zo’n vervreemdend dubbelop-werk is typisch Peeters, de IK die al roterend in het wilde weg op je wordt afgevuurd, waardoor de letters ook meteen weer hun lading verliezen. Sef Peeters kennen we vooral van zulke krachtige tekstwerken, waarin hij letters en woorden als sculpturaal materiaal gebruikt. Veelal in harde kleuren of in combinatie met beweging en elektrisch licht.

8 8A
9 10. Yourhouseis
Jouw Huis Is Mijn Huis, Nachtregels, Utrecht, 1991 (boven)
Jouw Huis Is Mijn Huis, Centraal Museum, Utrecht, 1994

Begin jaren negentig maakte Peeters veelvuldig gebruik van het zinnetje ‘Mijn huis is jouw huis’ dat hij in zijn werk omkeerde in ‘Jouw huis is mijn huis’. De inspiratie ervoor vond hij op de Lower East-side in New York (‘Your house is my house’), toen hij in 1987-88 als artist in residence in PS1 verbleef. Het verblijf in the Big Apple maakte hem ontvankelijk voor de bondigheid en visuele impact van opschriften, bijvoorbeeld van oneliners als ‘All is perfect’. De directheid van de slogans enthousiasmeerde hem tot reeksen werken waarin hij als een jongleur met taal aan de gang gaat. Zijn meest bekende ‘Jouw huis is mijn huis’ bracht hij in 1991 tijdens de manifestatie ‘Nachtregels’ aan op een voormalig kraakpand in Utrecht, in grote neonletters van eigen ontwerp. Maar hij verbeeldde ‘Jouw huis is mijn huis’ ook in een andere sprekende gedaante, in vijf kleurrijke delen waarbij hij voor elk woord een eigen benadering zocht. Deel 1, ‘Jouw huis’ schilderde hij in de vorm van een hinkelspel, waarbij de ‘w’ het (beschermende) dak vormde. Vervolgens was de werkwoordsvorm ‘is’ gekanteld, die daardoor meer op een wiskundige formule leek, ‘mijn’, drie keer herhaald, geschreven in rode, hoekige letters en ten slotte ‘huis’ vertaald naar een in geel geschilderde abstractie van een huis met een deur en een raam. Op deze manier speelt en manipuleert de kunstenaar graag met woorden, waardoor zijn tekstwerken nogal eens frivool, speels en ook humoristisch overkomen. Maar, zo benadrukt hij, zijn werken mogen niet alleen amuseren, ze moeten bovenal een lading hebben, want de kunstenaar wil geen cabaretier zijn. En de lading kan steken! Woorden als ‘dood’ of ‘angst’, die een andere gevoelswaarde oproepen krijgen bij het weglaten van een letter, al of niet in combinatie met andere woorden, een geheel eigen lading. Wat te denken van ‘mooidood’, dat hij aanbracht in een woning die als begraafplaatswoning in gebruik was geweest. Bij het Haags Centrum voor Aktuele Kunst keerde hij ooit het woord ‘angst’ binnenstebuiten, door de ‘t eraf te halen’, en van het overgebleven ‘angs’ (wat een gevoelswaarde!) ‘gans’ (twee betekenissen!) te maken. Ertegenover plaatste hij het woord ‘nags’, dat aan ‘nacht’ kon refereren. Aldus creëerde hij een combinatie van (schijnbare) betekenis en betekenisloosheid. ‘Het betekent misschien niets, maar het zou zo maar van veel betekenis kunnen zijn. Dat vreet elkaar op’, liet hij in Metamorfose optekenen. Met zijn eigen naam kan hij ook een communicatief spelletje spelen. Steekt hij niet te veel de draak met zichzelf, als hij zijn eigen naam in verbasterde vorm als ‘seefpeeteers’ neerzet? Nog eentje: als reactie op het met veel trompetgeschal binnengehaalde nieuwe millennium ontwierp hij voor de toenmalige Steendrukkerij een kleurige nieuwjaarsprent met de tekst ‘ga terug’. Zo bouwt Peeters zijn teksten uit vele lagen op, die even zoveel betekenissen krijgen. Of geen.

11 11b
20 22
HCAK, Den Haag, 1990 (boven)
Ga Terug, 2000 (onder links)
SEEFPEETEERS, 1991. Collectie Rijksdienst voor Beeldende Kunst, Den Haag (onder rechts)

Na zijn studie aan de Jan van Eyck Academie concentreerde Sef Peeters zich in zijn kunst vooral op zichzelf. In zijn fotowerken drukte hij zich lijfelijk uit, ook in performances. Toen al speelde de interpretatie van ruimtes een belangrijke rol. Zijn performance De Poging, waarin hij zich in een cocon van een elastische verbandsok liet inzwachtelen, moet wel een sleutelwerk geweest zijn. Hij stelde zichzelf de opgave om zich binnen een bepaalde tijd uit die sok te bevrijden. Lukte het hem, dan zou hij doorgaan met kunst, anders niet. Door met grote inspanning met zijn voeten te trappelen en een gat in het verband te kauwen, slaagde hij erin. Een gelukkige, symbolische bevrijding, die met het nodige geluid en spektakel gepaard ging. Sef Peeters houdt wel van spektakel. Een geboren Limburger, die uit een traditioneel katholiek gezin stamt en bij kerkbezoek priesterlijke handelingen met veel visueel geweld, wierook, wijwater en kleur, het mooist vindt: ‘Er moet wel iets opgevoerd worden, een requiem zingen bijvoorbeeld doet me goed’. Peeters vraagt zich wel eens af of zijn voorvaderen die doodgraver en tuinder waren, hier mogelijk iets mee te maken hebben. Bij zijn vroegere performances en installaties trachtte hij de kijker zoveel mogelijk te betrekken, ja de toeschouwer kreeg ook een rol toebedeeld. In de installatie Je maakt mij zichtbaar, diende de toeschouwer zelf als scherm voor een diaprojectie van het lichaam van de kunstenaar, en klonk de kreet ’Jij maakt mij zichtbaar’ aanhoudend door de ruimte. De ambiguïteit in zijn kunst was al in een van zijn eerste werken zichtbaar, toen hij zich na zijn opleiding in Maastricht in Breda vestigde. Hij fotografeerde zichzelf naakt gelijk de eerste mens Adam – wel in een andere pose – om vervolgens over de ene afdruk het woord ‘god’ en over de andere het woord ‘devil’ te stempelen.

13. De poging fragment, 1975 14
23.-Z.T
Poging (fragment), 1975 (linksboven)
God/Devil (Portrait), publicatie 1975 (rechtsboven)
Zonder titel (oor en wolk), 1984 (onder)

De pluriforme installaties die Sef Peeters in de jaren zeventig maakte, zijn midden jaren tachtig tot zelfstandige sculpturen en tekeningen verworden. De zinnebeelden waarmee hij zijn wereld symboliseerde waren onder meer de tafel, als verwijzing naar behuizing, de wolk als zinnelijk stemmingsbeeld en de ruggengraat als vorm van energie, zoals in een van die catalogi van de Rijksaankopen wordt gememoreerd. Bezie Eerste uitvoering uit 1984 maar, waarin misschien wel de kiem van zijn oeuvre ligt: een tweeluik dat bestaat uit een blauwe wolk die zijn stemming verbeeldt en een diaprojectie van zijn eigen gezicht. Een ondoorgrondelijk fenomeen als een wolk is in polyester uitgevoerd, concreet gemaakt, terwijl een tastbaar object als zijn gezicht tot een projectie is gereduceerd. In die jaren maakte Sef Peeters vooral furore in Duitsland, waar hij via De Appel in 1979 deelnam aan de manifestatie ‘Europa 79’ in Stuttgart. Inmiddels heeft hij praktisch in alle grote Duitse steden geëxposeerd.

15 16
18. Screamingroom 24
Echt, zeefdruk, 1990 (linksboven)
Echt, publicatie Metamorfose, 1990 (rechtsboven)
Ontwerp voor een afsluitbaar kamertje met erepodium, 1997 (linksonder)

Erepodium, 1989. Collectie Centraal Museum, Utrecht (rechtsonder)

Pas vanaf 1983 voelde Sef Peeters zich een echte beeldhouwer, toen hij de installatie Phoenix, ik ben een beeldhouwer had gemaakt – een lichte provocatie in de context van een tentoonstelling –  waarvoor hij op deze klassieke term teruggreep. Peeters verzette zich overigens altijd tegen deze betiteling. Het was een tijd van ‘settelen’: een huis(houden) bouwen. Zijn solo-expositie in Stuttgart in 1985, Und jetzt baue ich mir ein Haus, toonde alleen beelden en tekeningen die over ‘huis’ gingen. ‘Huis’, ik bezie het vooral ook in de betekenis van de omgeving waarin Peeters verkeert en die mede zijn kunstenaarschap voedt. Als beeldhouwer – hij vertaalde het later nog eens naar beeldbouwer – gaat het Peeters niet om typisch beeldhouwkunstige zaken als volume, materialiteit en textuur, maar om een beeld in de brede zin van het woord.

Eind jaren tachtig werd de letter het sculpturale element, nam de taal het definitief van zijn lichaam over en werd tekst zijn beeldtaal. Letter voor letter, woord voor woord bouwde hij aan sculpturen, niets zonder een dubbele betekenis of betekenisloosheid. Letters zijn de letterlijke bouwstenen, kleurige blokken, op elkaar gestapeld, naast elkaar gezet, gekanteld, vergroot, omgedraaid of gehangen. Letters als plastische vormen, om er twee- en driedimensionale beelden mee te bouwen. Taal wordt op haar kracht en inhoud getest, door woorden en zinsneden in ongewone combinaties te laten zien. In het werk ECHT, dat hij in verschillende versies uitvoerde, weet Sef Peeters zo’n spanningsveld tot stand te brengen, dat je volledig aan de voordehandliggende betekenis gaat twijfelen. Welk ECHT is eigenlijk echt? Achterstevoren of in spiegelschrift krijgt ECHT niet alleen een andere identiteit, maar tevens een speels aanzien. In de uitvoering van zijn tekstwerken kiest Peeters dikwijls voor eenvoudige, sjofele materialen: dozen van supermarkten, houten hekwerkjes, krukjes, trappen, kledingrekken en dergelijke. Op sier is hij niet gesteld, kunst wordt hem al gauw te mooi, schoonheid staat de betekenis te veel in de weg. Zo maakte hij een serie ‘erepodia’ van beton en kartonnen dozen, waarmee helden niet bepaald worden verheven, nee eerder van hun voetstuk worden gestoten, een motief dat hij onlangs weer ter hand nam. Een vertrouwd proces, want Sef Peeters laat wel meer reeds gebruikte beelden en woorden in een andere context opdraven, waaraan hij weer nieuwe elementen toevoegt. Zoals Elke stap is een volgende onontkoombaar, dat hij op wel zeer passende wijze opnieuw aanwendde bij de opheffingstentoonstelling in 2013 van het illustere Lokaal 01 in Breda.

17. Elkestapiseenvolgende 1999
Elke stap is een volgende Onontkoombaar, NBKS Breda, 1999 (tentoonstelling ‘Het Lege Kwartier’)

Zijn bewondering voor kunstenaars als Vito Acconci, Reiner Ruthenbeck, Bruce Nauman, Lawrence Weiner, Carl Andre, Sol LeWitt en Giovanni Anselmo stak Sef Peeters niet onder stoelen of banken. In Masterplay (1993) koppelde hij ze aan elkaar door de 47 letters van hun achternamen in felgekleurde ronde schijven uit te stansen, de letters per naam te ordenen, over elkaar heen te leggen en in deze ongewone combinatie op te hangen. Ik bezie zijn Masterplay, geïnspireerd op het spel hoefijzergooien, als een ode aan minimalisten, conceptuelen en performancekunstenaars, helden die zijn kunstenaarschap hebben gevoed. Zelf voelde hij zich schatplichtig, en eindelijk vrij om met zijn ‘meesters’ te kunnen spelen. Op de vraag waarom zijn werk kunst is, formuleerde hij al eens een kort en krachtig antwoord: ‘omdat de verbeeldingskracht groter is dan de gebruikswaarde’. Sef Peeters wil als kunstenaar zijn principes géén dogma’s laten zijn, terwijl het dagelijks leven zijn principes toch altijd geweld aandoet. ‘Door kunst te maken denk ik na over mijn bestaan, dat is een vorm van ontstijgen. Maar kunst maken is ook een middel om nadrukkelijk aanwezig te zijn’, zei hij ooit over. Sef Peeters zal zijn kunst blijven maken, in de hoop dat hij zo actief de bodem voor volgende generaties blijft voeden. Ook al beschouwt de belastingdienst hem naar eigen zeggen niet meer als kunstenaar, maar als hobbyist. Iets wat overigens meerdere kunstenaars overkomt, met alle gevolgen voor hun leef- en werkomstandigheden. Elke stap zal voor Sef Peeters een volgende zijn: onontkoombaar. Voorshands verklaar ik zijn kunst voor onsterfelijk.

21
Sef Peeters in zijn atelier, © Artist in the world André Smits

Geraadpleegde literatuur, waaruit ik hier en daar heb geciteerd:

  • Rijksdienst Beeldende Kunst, Rijksaankopen 1989. Werk van hedendaagse beeldende kunstenaars. ’s-Gravenhage: Rijksdienst Beeldende Kunst i.s.m. SDU, 1990
  • Metamorfose. Den Haag: HCAK, 1991
  • Marja Bosma e.a. (red.), Nachtregels = Night lines. Words without thoughts never to heaven go. Utrecht: Centraal Museum, 1991
  • Sef Peeters. Our world is perfect. Utrecht: Centraal Museum, 1994
  • Ine Dammers, ‘Interview met Sef Peeters’, in De Nieuwe nr. 31, mei 2014
  • Mailverkeer en een gesprek met Sef Peeters op zijn atelier in Breda op 26 oktober 2015.

De meeste foto’s komen uit het archief van de kunstenaar, enkele zijn door mij geschoten.

4 Comments

  1. Pingback: nieuws

  2. Erg goed stuk zeg! Ken het werk van Sef al heel lang maar nooit eerder las ik er zo’n heldere tekst over! dank! groet Suzan

  3. Pingback: Wilde ideeën en leesvoer (285)

  4. Pingback: Sef Peeters

Geef een reactie

Required fields are marked *.