Michiel Morel

In het hoofd van…

De Victory Boogie Woogie van Robert Collette en wat dies meer zij over voetbal in de kunst

| 8 Comments

Share


Piet Mondriaan, Victory Boogie Woogie (Unfinished), 1944 © 2008 Mondrian/Holzman Trust c/o HCR International, Virginia US, collectie Gemeentemuseum Den Haag

Een triomfantelijk schilderij mag je Victory Boogie Woogie (unfinished) van Piet Mondriaan (1872 – 1944), de belangrijkste Nederlandse kunstenaar uit de vorige eeuw, wel noemen. Het is het laatste werk dat hij tijdens zijn leven maakte en waarschijnlijk ook zijn beroemdste. Onvoltooid, in ruitvorm met een beeldstructuur, waarin de zwarte rechte lijnen uit zijn andere werken in een stelsel van kleur en ruimte zijn opgelost. Daarvoor gebruikte hij niet alleen verf, maar ook stukjes gekleurde tape, waarmee hij nieuwe accenten en ritmen kon onderzoeken. Die vibrerende vierkantjes tape veroorzaken een zinderend effect. De intensiteit van het geel, rood en blauw en de versplintering van vlakken en lijnen, weerkaatsen het dynamische leven in New York, met name het ritme van de jazz. Het is een uitzonderlijk spannend schilderij, waarin Mondriaan de laatste dagen van zijn leven als een razende nog nieuwe ingrepen heeft gedaan. Hoewel onvoltooid behoort deze ‘Nachtwacht van de twintigste eeuw’ tot een van de belangrijkste kunstwerken in de beeldende kunst. Het zorgde voor de nodige reuring in ons land, toen het vanuit een particuliere verzameling in de Verenigde Staten in de collectie van het Haags Gemeentemuseum belandde.


De Victory BoogieWoogie van Robert Collette, Nederland-Rusland, EK finale 1988

De Victory Boogie Woogie van het Nederlandse voetbal is de volley van balkunstenaar Marco van Basten in de EK-finale van 1988. Dat betoogde in ieder geval de gezaghebbende conservator fotografie Wim van Sinderen, die in 2000 in de Rotterdamse Kunsthal de tentoonstelling  Ieder zijn voetbal samenstelde. Op aangeven van Arnold Mühren nam Van Basten aan de rechterkant van het veld de bal in één keer op de slof, die vervolgens met een kromme boog als een meteoor in het doel achter de Russische keeper Dassajev insloeg. Sportfotograaf Robert Collette ving het beslissende moment. Hij was in de jaren zeventig en tachtig een topfotograaf, een met het instinct van een goede verslaggever en het praktische oog van een kunstenaar. Het is niet verwonderlijk als je Robert Collette niet kent. In letterlijke zin was hij geen kunstenaar; kunst en voetbal staan ook met elkaar op gespannen voet.

De Victory Boogie Woogie van Robert Collette is een uitzonderlijk spannende en dynamische foto, ook een triomfantelijk kunstwerk. De kracht ervan zit in het nog niet voltooide, het  moment waarop het beslissende, wonderschone doelpunt in aantocht is. De in Russisch wit en in Oranje getooide toeschouwers zitten nog met ingehouden adem op hun plaats. Ook de Russische back en Van Basten zelf, wiens gezicht in de mêlee  van toeschouwers opgaat, kijken in spanning toe. De bal is al langs Dassajev heen gevlogen, die stijlvol in de lucht  hangt maar in zijn safe, achteromkijkend het onvermijdelijke ziet aankomen. Precies op dat  moment drukte Robert Collette af. Het is een ongemanipuleerd zinderend beeld, weids, waarop spanning, ingehouden emoties en de naderende ontlading voelbaar zijn. Een fractie van een seconde later doet het Nederland kond van het Europees kampioenschap. Nog steeds staat dit plaatje-van-een-doelpunt in het geheugen van menig landgenoot geëtst.

Robert Collette (1941-2004)

   
Robert Collette
VIP tribune met o.a. Joop den Uyl, Prins Bernhard, Prins Rainier van Monaco en Grace Kelly, WK finale Nederland-West Duitsland 1974 (l)

President Videla van Argentinië, Mendoza, WK 1978

Robert Collette was vooral verbonden met het magazine Voetbal International (VI). Volgens oud-hoofdredacteur Joop Niezen was de verslaggeving van het voetbal begin jaren zestig nog een oersaaie aangelegenheid. Geen foto’s maar het geschreven woord domineerde, en als er al een quote werd meegenomen kwam die steevast van een bobo. Van spelers en trainers werd zelden iets opgetekend. Met de komst van VI veranderde dat, met name door de huisfotografen Piet van der Klooster en Robert Collette, die de essentie van topvoetbal in beeld brachten op een manier die in Nederland volstrekt onbekend was. Zij kregen de ruimte om met grote foto’s de spannendste acties en de emoties van wedstrijden zichtbaar te maken. Niet langer de bobo’s maar de voetbalartiesten zelf, die een onvoorspelbare choreografie om de bal uitvoerden, kwamen in beeld. Zo werd de thuisblijvers bij wedstrijden ook de onschuld van het voetbal afgenomen. Voetbalprofs kregen bij VI een podium, waarop ze uitgebreid aan het woord konden komen, aldus Niezen. Met de successen van Ajax en Feijenoord tussen 1969 en 1973 in de Europacup met als voorlopig hoogtepunt de verloren WK finale van het Nederlands elftal in 1974 surfde VI mee op de golven van dat voetbalsucces en ontwikkelde het zich tot een kritisch gezaghebbend fenomeen. Robert Collette, die steevast iedere zondagavond met sublieme fotoacties op de redactie arriveerde, maakte snel naam. Vindingrijk als hij was wist hij meestal op het goede moment op de juiste plek te zijn. Voor zijn beroemde foto koos Robert Collette een wat onorthodoxe plek, niet achter de goal of bij de achterlijn, maar aan de zijlijn. Wellicht kon hij hier het gedrang van de voor elkaar springende fotografen beter vermijden.

Ieder z’n voetbal


Bart van der Leck, Voetballers en scheidsrechter, 1913, particulier bezit

Bart van der Leck (1876-1958), de kunstenaar die mij min of meer de kunst indreef, maakte al in 1913 het mooiste en meest onschuldige voetbal-schilderij: Voetballers en Scheidsrechter. Een poster van dit werk heeft jarenlang mijn jongenskamer gesierd. Een scheidsrechter met stropdas en een doordeweeks hoedje, geflankeerd door vier spelers, die hem met ontzag en vol verwachting aankijken en braaf voor de aftrap klaar staan. De geschilderde figuren staan tegen een witte achtergrond, vrijstaand volgens het Egyptische principe van zijdelingse oversnijding, zodanig dat frontaal en en-profil simultaan voorkomen. In technisch opzicht is het ook vrij uniek, het is namelijk het eerste werk dat Van der Leck met caseïneverf op eterniet schilderde. Dat de kunstenaar bij het maken van dit schilderij zeer geïnspireerd was door de overwinning van Oranje op de Engelse amateurs op 24 maart 1913 in Den Haag, is zeer aannemelijk. Die zette ons land in vuur en vlam. Dit schilderij van Bart van der Leck was een pareltje in de tentoonstelling in de Kunsthal in 2000.

Voetballers nemen op schilderijen en tekeningen dikwijls vreemde, vaak onbeholpen houdingen aan. Juist die werken, waarvan de Kunsthal er een aantal toonde, staan mij nog helder voor de geest. Zulke houdingen komen ons niet al te waarschijnlijk voor, omdat we ze als toeschouwer nooit exact kunnen waarnemen. We missen de reactiesnelheid erop, die we zo goed op de Victory Boogie Woogie van Robert Collette waarnemen. Zoals de Duitse kunstenaar Willi Baumeister (1889 – 1955) het omschreef: “Het menselijk lichaam komt nergens zo goed tot uiting als in de sport, omdat het tot zulke typerende houdingen leidt”. Dat was volgens hem wel even wat anders dan de klassieke, statische, meestal vrouwelijke modellen die de kunstacademies prefereerden. In andere stijlen gebruikten kunstenaars ook de overdreven aandacht voor het lichaam. De Dadaïsten Georg Grosz (1893 – 1959) en John Heartfield (1891 – 1968) bijvoorbeeld parodieerden de voetbal-hausse in een eenmalig Dada-tijdschrift uit 1919: Jedermann sein eigener Fussball. Dit Dada-tijdschrift zette menige voetballiefhebber uit die dagen op het verkeerde been, want het ging nauwelijks over voetbal. De titel impliceerde slechts “Schop of je wordt geschopt”, conform de anarchistische Dada-opvattingen. Heartfield gebruikte foto’s als propagandamiddel. Zelf maakte hij nooit beelden, maar hergebruikte prints uit tijdschriften, die hij bewerkte. Het Dada-tijdschrift is historisch relevant omdat deze kunstenaar hierin zijn eerste fotomontages toepaste, een techniek waarmee hij zich later zou onderscheiden als een van de meest heftige critici van het Hitler-regime.


Thijs Rinsema, Voetballers, 1925, collectie Instituut Collectie Nederland

Ook de Friese Dadaïst Thijs Rinsema (1877-1949) gebruikte het thema ‘voetbal’ vrij intensief. In de jaren 1925–26 legde deze schoenmaker-kunstenaar zich toe op het verbeelden van sport, voornamelijk springruiters en voetballers. Evenals Willi Baumeister reduceerde hij het beeld van ‘voetballers in actie’ tot een compositie in kleuren, lijnen en vlakken. Hun werken kenden een geometrische opbouw die in speelse abstracte vormen kon worden vertaald. Wellicht onder invloed van Theo van Doesburg (1883 – 1931), oprichter van De Stijl en een vurig pleitbezorger van geometrisch abstracte schilderkunst. In zijn oeuvre en trouwens ook in dat van de andere beroemde Stijl-kunstenaar, Piet Mondriaan, komen geen voetballers voor.

Pyke Koch


Pyke Koch, Voetballers (V), 1959, particulier bezit

Sportieve werken, die mij altijd blijven bekoren zijn die van Pyke Koch (1901 – 1991). Al van jongs af aan. Koch was een belangrijke vertegenwoordiger van het magisch realisme in de jaren dertig, vooral bekend om het controversiële schilderij Zelfportret met zwarte band uit 1937. Hierop heeft hij zichzelf geïdealiseerd, als aanhanger van het fascisme afgebeeld. Zijn schilderijen hadden vooral door hem beleefde of gefantaseerde voorstellingen tot onderwerp. Koch’s werken waren dikwijls gebaseerd op foto’s. Van rugby- en voetbalspelers maakte hij schitterende schilderijen, die kunsthistorici in tentoonstellingen meestal aan zich voorbij lieten gaan. Waarschijnlijk omdat zijn sportschilderijen weinig meer dan voetbalplezier pretendeerden. Wat deze kunstenaar kennelijk fascineerde toen hij rond 1958 zijn sportschilderijen maakte, was dat foto’s figuren fragmenteerden. Op sportfoto’s zijn personen meestal vastgelegd op een moment waarop zij zich snel bewegen. Van Pyke Koch is bekend dat hij verschillende foto’s selecteerde om daaruit een combinatie te maken. Voor zijn schilderijen gebruikte hij combinaties van de foto’s als intermediair. Acties die hij in de sport zag, lagen in die foto’s al bevroren, waardoor hij vervreemdende effecten optimaal kon benutten. Vaak is op die foto’s aan de rand nog een voet te zien of een lichaam waarvan het hoofd buiten beeld blijft. Zulke details zijn ook op zijn schilderijen terug te zien, maar geen enkel schilderij is een directe kopie van een bepaalde foto. Werken van Koch munten uit door een bijzondere techniek en een eigenzinnige, raadselachtige sfeer.


Pyke Koch, Scrum (III), 1969, Caldic Collectie, Rotterdam

De meest gave is Scrum, waarvan hij meerdere versies maakte. Een bizar karakter hebben de kluwen van lichamen en ledematen op deze schilderijen gekregen, enerzijds door de volstrekte afwezigheid van publiek, anderzijds door de omgeving waarin de scrum is geplaatst: een onafzienbare, kale ijsvlakte waarop geen enkele aanduiding van het sportveld te zien is. Het gesjor aan kleren en lichamen lijkt volstrekt redeloos en wordt als een metafoor voor blind menselijk handelen gezien.

Voor de Tweede Wereldoorlog bemoeiden kunstenaars zich nauwelijks met het thema sport, laat staan met voetbal. Met de emancipatie van de sport, die in het algemeen synchroon liep met de liberalisering van de kunsten begon de dynamiek van het voetbal ook kunstenaars aan te spreken. Vooral ook de status van heldendom, die voetballers langzamerhand verkregen. Mede door het op TV uitzenden van voetbalwedstrijden en de fotografie van mensen als Robert Collette, kregen voetballers langzamerhand die status aangemeten, die voorheen in plakboeken met voetbalplaatjes verscholen zat. Zelfs topkunstenaars als Andy Warhol en Marlene Dumas gebruikten afbeeldingen van voetbalhelden als inspiratiebron.

  
Andy Warhol, Toni Schumacher, 1982, collectie Deutsches Sport & Olympia Museum, Keulen (l)
Marlene Dumas, Johan Cruijff (jonger) en Johan Cruijff (ouder), 1997, collectie Heden

Voetbal en taal

Dat voetbal iets met kunst te maken heeft, uit zich mondjesmaat in de beeldende kunst, maar des te meer in taal. Ideale wedstrijden, schone acties, topvoetballers en emoties daar omheen zijn vaak becommentarieerd als kunstwerken. Sportmomenten zijn in de literatuur door een schier eindeloze rij schrijvers en dichters in hun gedichten en verhalen bewierookt. Schrijvers als Hugo Borst, Cees Buddingh’, Remco Campert, Nico Dijkshoorn, Jules Deelder, Johny van Doorn, Kees Fens, Kees ’t Hart, Wilfried de Jong, Jan Mulder of Nico Scheepmaker beschik(k)(t)en duidelijk over de nodige retorische kwaliteiten. Over het magistrale doelpunt van Marco van Basten is in de voetballiteratuur opvallend weinig te vinden. Veel meer daarentegen over de wedstrijd die aan de EK-finale van 1988 voorafging, tegen Duitsland, die Nederland in de finale bracht. Die historische match wekte alom beroering, omdat met de overwinning op Duitsland het trauma van München uit 1974 de wereld werd uitgeholpen. Het leverde zelfs een heuse dichtbundel op: Nederland  – Duitsland, voetbalpoëzie, samengesteld door Theun de Winter. Wat te denken van dit gedicht van Fred van Doorn uit die bundel:

1974 – 1989

De Twee van München
hebben mij
eerlijk gezegd
altijd meer dwars gezeten
dan
die Twee van Breda

(De twee van Breda waren de Duitse oorlogsmisdadigers Lages en Aus der Fünten, wier vrijlating in 1989 uit de Bredase koepelgevangenis Nederland nog in rep en roer bracht. Altijd als ik tijdens mijn middelbare schooltijd langs die koepelgevangenis fietste vroeg ik me af achter welke getraliede venstertjes die gasten eigenlijk zaten).

Maar het kon nog gekker, al in 1913. De al genoemde zege van het Nederlands Elftal op een Engels landenteam, nota bene op het land dat het voetbal ooit uitvond, zette Nederland op zijn kop. Volgens de overlevering zagen 16.000 toeschouwers dit spektakelstuk op het Haagse Houtrust, hetgeen de dichter August Heyting tot een ‘modern sportief heldendicht’ van maar liefst 2600 regels verleidde! Het lyrische begin wil ik je niet onthouden:

‘Dat England is geslagen, dit’s de mare,
die juublend schalt langs Hollands lentevelden.
’t Is Pasen en de stem van het blijde feest
wordt dubbel hoog door dees victorieroep.
Zon, daal omlaag, wij zullen met U ballen.
Uw gouden bal zal onze roes behagen.
Laat dan het vuur vrij uit uw kogel spatten
als, met uw blinkend goud, we op ’t doel afstormen.
Ja, zulk een bal is Hollands geestdrift waardig.
Hoera! Oranjetruien, luid hoera!’

Nog een keer Robert Collette

   
Robert Collette
Bondscoach Ernst Happel en verzorger Pierre van den Akker, Mendoza, Argentinië, WK 1978 (l)

Leo Beenhakker als trainer van Real Madrid in de wedstrijd tegen Barcelona, seizoen 1991-1992

Robert Collette was een klassieke vakman, een bevlogen fotograaf, dikwijls ontroerd en altijd geobsedeerd door wedstrijdbeelden voor zijn lens. En in de donkere kamer een kunstenaar. Het ging hem vooral om de essentie van de beweging in het voetbalspel, hetgeen meer met kunst en eigenlijk niets met voetbal te maken had. Van het voetbalspel zelf moest hij niet zoveel hebben. Eigenlijk was hij maar een buitenbeentje in die macho-voetbalwereld, er te beschaafd voor. In hart en nieren was hij veel meer geïnteresseerd in film, kunst en cultuur. Daar zaten zijn echte vrienden: schrijfster Yvonne Keuls, componist en pianist Hein van der Gaag of Karel de Rooy van het theaterduo Mini en Maxi. In de Haagse Schouwburg voelde hij zich beter thuis dan in menig stadion, waar hooligans het werk van fotografen behoorlijk zuur konden maken. Ze werden er nog al eens bekogeld met stenen, stokken, aanstekers en bierglazen vol urine.

Zijn hoofdredacteuren Joop Niezen en Johan Derksen, konden smeuïg verhalen over belevenissen tijdens de vele reizen, die zij met hun sterfotograaf maakten. Met hem legden zij duizenden kilometers af voor wedstrijdverslagen, interviews, commentaren of om andere gebeurtenissen als WK’s en EK’s te coveren. Per wagen was het met Robert Collette achter het stuur altijd een enerverende ervaring, want gewend als hij was aan beslissingen in duizendste secondes placht hij altijd stevig naar voorliggers toe te rijden om vervolgens vol op de rem te gaan. In plaats van te eten in een vreetschuur langs de snelweg placht hij zijn bazen liever op zelf bereide preitaart of brood met eigen gemaakte jam te trakteren. En Collette verdiepte zich in vele maatschappelijke thema’s. Of het nu politiek, antroposofie, muziek of theater was, altijd wilde hij zijn mening toetsen aan die van zijn reisgenoten.

Met de technische ontwikkelingen van de fotografie, de digitale techniek, werd het vak van de professionele fotografie vanaf eind jaren tachtig geheel op zijn kop gezet. Ingehaald door de ontwikkelingen hoefde Robert Collette zijn kieken niet meer op zondagavond bij VI te tonen. Voortaan ging alles per mail en het grote reizen naar alle hoeken van de wereld hoefde ook niet meer. Het moet hem tot in zijn vezels hebben geraakt. Even voor zijn afscheid bij VI overleed deze oermens plotseling, eind 2004 als gevolg van een hartstilstand.


Doelman Jan van Beveren in de film De Laatste Man

Overigens bleek Robert Collette ook een uitstekende cameraman. Zo verrichtte hij samen met Jan Schaper het camerawerk voor de film De Laatste Man, een magistraal portret van de vorig jaar overleden keeper Jan van Beveren. Gefilmd vanachter het doel, onder luid gejuich en geloei van het publiek, wisselen sierlijke safes en uitzonderlijke reddingen van deze atletische doelman zich af met verbeten duels, die hij met zijn aartsrivaal Johan Cruijff uitvocht. Vooral de sfeerrijke entourage bij kunstlicht in de Rotterdamse Kuip, waar Collette de meeste opnamen  voor De Laatste Man maakte, beklijven. Op jonge leeftijd heb ik die zelf vanaf de bovenste ring in de Kuip ook intens ervaren, toen Feijenoord tegen Tottenham speelde.

Avondje NAC

Nog steeds kan ik me laten onderdompelen in de sfeer van een vergelijkbaar fenomeen: een-avondje-NAC, samen met mijn oudste vriend Addy Brouwers, oud-international, en indertijd semiprof bij de club. De Bredase fans plegen zich bij een thuiswedstrijd uitzinnig te roeren met spreekkoren, geroffel en originele liederen. Als de ene de andere tribune als een soort canon toezingt, kan de sfeer je bij de aantrekkingskracht van het kunstlicht, ook overweldigen.


Supporters beleven een Avondje NAC vanuit een woning aan de Bredase Beatrixstraat © Marco Magielse

Addy en ik trekken vanaf de kleuterschool al met elkaar op. Van jongs af aan was hij een sierlijke, rasechte pingelaar en een geboren buitenspeler, rechts- en linksbenig. Eigenlijk rechtsbenig maar liever op links spelend. Op die plek kon hij vaak met een kapbeweging passeren, waardoor hij de bal beter voor zijn rechter been kreeg, en zo langs het verkeerde been van zijn tegenstander kon komen. Addy Brouwers beleeft een avondwedstrijd in Breda als afstandelijke, objectieve voetbalkenner, ik als een gepassioneerde NAC- supporter. Tussendoor halen we herinneringen op over onze eigen voetbalpartijtjes vroeger op straat, belevenissen op de lagere school en de boeken die we lazen. En bediscussiëren we onze club NAC, waar het meestal sportief en bestuurlijk misgaat, die nooit enige prijs van belang binnensleepte maar vooral met zijn mix van voetbal, kunstlicht en uitgaan (lees: bierdrinken) nog steeds een prominente plaats in de Nederlandse voetbalcultuur inneemt.  Na afloop sleept hij me steevast mee naar de persconferentie, waar journalisten opeengepakt de obligate uitleg van trainers moeten aanhoren, zonder er veel zinnige vragen over te stellen. Die sfeer kon Robert Collette ook op klassieke wijze verbeelden. Over de voetballende onderwijzer Addy Brouwers, ooit begeerd door PSV en Feyenoord, doch die liever als semiprof de ‘Bredase toren in het vizier wilde blijven houden’, maakte Robert Collette voor VI ook een openhartige reportage.

   
Robert Collette
Addy Brouwers liever voor de klas dan prof bij PSV, 1971 (l)
persconferentie met Piet Keizer, hotel Hiltrup, WK 1974

Mondriaans Victory Boogie Woogie (unfinished) hangt sinds 1998 in volle glorie in het Haags Gemeentemuseum. Het topstuk kwam er niet zonder slag of stoot. Met een gift van De Nederlandse Bank kocht het Nationaal Fonds Kunstbezit kocht het, als ‘symbolische afsluiting van de periode waarin de Nederlandse Bank verantwoordelijk was voor de Nederlandse gulden’. De aankoopprijs van tachtig miljoen gulden zorgde voor een enorme discussie, maar werd in het voordeel van de beeldende kunst beslist. Om de Victory Boogie Woogie van Robert Collette te zien kun je niet eens in een fotomuseum terecht. In fotoboeken kijk ik altijd naar hem uit, maar tot nu toe zonder resultaat. Ook in de Kunsthal miste ik hem node. De wat stoffige burelen van Voetbal International in Gouda waren de enige plek waar ik hem ooit op groot formaat aantrof. Hij lijkt te zijn vergeten, maar deze maand verdient hij bij het huidige EK weer de nodige aandacht. Bij deze.

Geraadpleegde en hier en daar geciteerde literatuur

Pyke Koch, Carel Blotkamp, uitgave Reflex Utrecht, 1982
Piet Mondriaan, Kleur, structuur en symboliek, J.L. Locher, uitgave Meulenhoff Amsterdam, 1994
Hi-Ha-Hondelul, Ko van Geemert, uitgave Thomas Rap Amsterdam, 1996
Ieder z’n voetbal, uitgave Stichting Kunsthal Rotterdam, 2000
En toen was er sport, Jurryt van de Vooren, Inmerc te Wormerveer, 2005
Eerbetoon aan Robert Collette, VI 40 jaar, uitgave Voetbal International, 2005
Op reis met Yvonne Keuls, Ambo/Amsterdam, 2005
Robert Collette, uitgave Heden /Artoteek Den Haag, 2007
Avondje NAC, Sjoerd Mossou, uitgave Bertram+de Leeuw Uitgevers, 2012

De foto’s van Robert Collette zijn afkomstig uit de archieven van Voetbal International en de erven van Robert Collette.

8 Comments

  1. Leuk om te lezen!

    Ook ik was erbij die avond in De Kuip (nog steeds met afstand het mooiste voetbalstadion van Nederland) toen de hooligans uit Noord-London het voetbalvandalisme in ons landje introduceerden.

    Gr. Dick

  2. Een leuk artikel om te lezen, vooral nu wanneer de EK op vrijdag begint. Nu maar hopen dat zowel Nederland als Zweden het goed doen.
    Overigens een mooi schilderij van Thijs Rinsema.

    Groetjes uit Stockholm
    Jan-Hein

  3. Best confronterend om je eigen naam te lezen in een boeiend betoog over de dwarsverbanden tussen kunst en voetbal. Zeker als de auteur de oudste vriend van je is, waarbij ieder zijn eigen weg is gegaan en waarbij diezelfde dwarsverbanden evenzeer tussen ons aanwezig blijken te zijn….. Bijzonder-en vererend!

    Addy Brouwers

  4. Gisteravond bekeek ik thuis de docu uit 1980 Mondriaan in New York met veel aandacht voor de Vicxtory Boogie Woogie. Vanmorgen vertel ik mijn stagiaire (die in 1988 geboren werd) over het wonderschone doelpunt van Van Basten ivm het huidige EK. En daarna opende ik jouw mail waarin mijn woorden die ik helemaal vergeten was! Wat een verrukkelijke coïncidentie! En wat leuk dat je mijn catalogus nog hebt en dat je er over schrijft. Heel erg bedankt!

    Beste groeten, Wim

  5. Mooi als passies samenkomen. Kunst en voetbal met ieder hun helden. En helemaal geweldig als Addy Brouwers (Geen familie), het onovertroffen Avondje NAC, Van Basten en Dumas, Bart vd Leck en Mondriaan in 1 artikel samenkomen.

    Arthur Brouwers
    Kunstveiling.nl

  6. Jammer dat ik Rob nooit meer gezien heb; ik meen dat het in 1952 was, dat hij bij ons in huis woonde in den haag; een rustige en vriendelijke jongen, terwijl ik niet zo aardig tegen hem was, want ik zag hem als een soort indringer in Mijn woonhuis; maar, gedane zaken nemen jammergenoeg geen keer!

  7. ik realiseer me nu dat het enige jaren later geweest moet zijn.

Geef een reactie

Required fields are marked *.