weergegeven: 1-5 van 43 resultaten

Mohamed Abouelouakar, een signalement

Dit schilderij, La rêve d’icar (De droom van Icarus, uit 1992 of daaromtrent) van de Marokkaanse beeldend kunstenaar Mohamed Abouelouakar (1946), is momenteel prominent te zien in de tentoonstelling Het andere verhaal, kunst uit het Marokkaans modernisme in het Cobra Museum. Abouelouakar is een kunstenaar met een groot inzicht met wiens werk ik mij verwant voel. In Marokko lijkt hij nog steeds toonaangevend en is hij niet alleen bekend vanwege zijn schilderwerken maar ook om zijn foto’s, film en ruimtelijke beelden. In Europa is hij als niet-Westerse kunstenaar echter nauwelijks zichtbaar, ondanks enige uitstapjes in het verleden naar Parijs en Moskou.

Mohamed Abouelouakar werkte onder het bewind van koning Hassan II, die het land regeerde van 1961 tot 1999. De tentoonstelling Het andere verhaal  refereert aan de sociale bewegingen die toen de kop in werden gedrukt en aan de censuur op film en theater. Dissidenten werden opgesloten in de beruchte Tazmamart-gevangenis, velen werden verbannen. Een periode die bekend stond als ‘jaren van lood’, waarin de vernieuwingsdrift van veel kunstenaars een politieke dimensie kreeg. Kunstenaars spraken zich uit voor de Palestijnse zaak en zochten contact met kunstenaars uit de Arabische wereld. Een aantal kunstenaars keerde zich naar binnen en creëerde een eigen fantasiewereld waarin ook plek was voor mythologische helden en sprookjesachtige figuren. Of kunstenaars trokken het diepe achterland van Marokko in om een wereld vast te leggen waar de tijd leek stil te staan, terwijl anderen naar het buitenland vertrokken. Een onzekere tijd, waarin kunstenaars worstelden met de vraag of kunst nog richting kon geven aan sociaal-maatschappelijke verandering. Pas toen in 1999 Mohamed VI de nieuwe koning van Marokko werd stelde men een waarheidscommissie in om misdaden tijdens de repressie aan het licht te brengen. Een nieuwe wind woei over het land waarin de persvrijheid toenam en de Amazigh-taal erkenning kreeg. Kunstenaars kwamen met verhalen die niet verteld mochten worden. Videografie, fotografie en installaties werden nieuwe gereedschappen om het verhaal van de ongrijpbare verandering te vertellen. Aldus de context, die de organisatoren in de expositie schetsen.   

Gekeken naar de betekenis van het werk van Mohamed Abouelakar valt op dat mystieke stromingen, ongemakkelijke gevoelens over de modernistische wereld, personages uit de mythologie, de Bijbel of de Koran worden opgeroepen in het beeldend universum van de kunstenaar. Daarnaast komen persoonlijke ervaringen, opgedoken in de krochten van zijn ziel, in zijn werk tot uitdrukking. Maar die geven zich niet bloot. Inspiratie vond de kunstenaar vooral in het soefisme. De basis van zijn vrije vocabulaire en eigen denkwijze ligt in zijn afkomst uit de medina van zijn geboorteplaats Marrakech en in een zevenjarig verblijf in Moskou(1966/’73), waar hij aan de  filmacademie studeerde. Hier werkte hij o.a. samen met de bekende filmregisseur Andrej Tarkovsky en filmmaker en videokunstenaar Ali Essafi. Uit die tijd stamt werk waarin hij de lyrische schittering van Russische iconen verwerkte, de beroemde Roublev-iconen. Naast het maken van groot formaat schilderijen en tekeningen noteerde en betekende hij in detail het voorbereidende werk in opmerkelijke cahiers, die al kunst op zichzelf zijn. Vanuit tekeningen en kleurnotities creëerde de kunstenaar een universum, waarin men de obsessies en utopieën van de grote doeken kan ontdekken. Emoties en ontboezemingen op het doek refereren enerzijds aan een byzantijns oosten, en anderzijds aan de moderniteit van het heden, dat hij als meedogenloos lijkt te ervaren. In het spanningsveld tussen liefde en haat, is hij in zijn werk zoekende naar een consistente kwaliteit van het menszijn. Hoe actueel vandaag de dag.

In 2000, kort na het einde van het regime van koning Hassan 2, bezochten we met vertegenwoordigers van Haagse kunstinstellingen Marokko, om de mogelijkheden van een culturele uitwisseling te onderzoeken. Met support van de Ecole des Beaux Arts in Casablanca kwamen we aan adressen en contactpersonen in de Marokkaanse kunstwereld. Aldus belandden we in galerie Actua, onderdeel van de Fondation culturelle de la  Banque Commerciale du Maroc, die een collectie van zo’n 700 kunstwerken van Marokkaanse kunstenaars beheerde. Hier had Mohamed Abouelouakar 1998/’99 een overzichtstentoonstelling, voorzien van een omvangrijke oeuvre catalogus. Die bood samen met de overzichtscatalogus Peinture et Mecenat van de collectie van de betreffende bank aanknopingspunten voor een uitwisseling. We waren alras getroffen door Abouelouakars mystieke kunst, die niet zomaar in één keer te verklaren was. De combinatie van technieken leidde tot meerdere betekenissen van zijn onderwerpen, zo leek het. Op onze verdere oriëntatietocht kwamen we weer met zijn werk in aanraking, o.a. in Villa des Arts, onderdeel van de Marokkaanse holding ONA, en gevestigd in een schitterende gerestaureerde art-deco-villa uit de jaren dertig, waar een voorname verzameling van Marokkaanse moderne kunst te zien was. Die bood ook meer vingeraanwijzingen over Abouelouakars gedachtewereld en enthousiasmeerde ons verder om met deze kunstenaar een samenwerking aan te gaan.  

Ter voorbereiding van het Thuraya Marokko festival dat eind 2001 in Den Haag zou plaatsvinden, besloten we Abouelouakar uit te nodigen voor een tentoonstelling in Heden (v/m Artoteek Den Haag). Aldus togen we begin 2001 wederom naar Casablanca, waar we samen met hem in zijn atelier de werken voor de expositie uitzochten. Een machtige ervaring, temeer omdat we binnen de context van wat er toen in de beeldende kunst in Marokko gaande was, meer zicht kregen op de betekenis van zijn werk. Vooraf hadden we wel ‘iets’ in mind voor de tentoonstelling, welnu dat ‘iets’ werd een indrukwekkende verzameling werk met twee grootse schilderijen (die we lieten verdoeken), zelfportretten, tekeningen collages en de film Le Miroir Enchanté. In oktober arriveerde Mohamed in Den Haag met ook nog eens schets-, teken- en filmboeken ‘onder zijn arm’, vergezeld door  Nicole de Poncharra, een vooraanstaande Franse curator uit Marrakesh en pleitbezorger van zijn werk. Na de opening van Abouelouakars tentoonstelling bij Heden in 2001 trokken we enkele dagen met hem op. Het verblijf in Nederland maakte indruk op hem. We herinneren ons een bijzonder mens, een bescheiden en gevoelige man.

Tijdens Abouelouakars verblijf in Nederland ontstond een intensief contact met de Nederlandse kunstenaar Aline Thomassen, die ook lange tijd woonachtig in Marokko was. Was het vrouwelijk lichaam al het thema in haar werk, sinds 1994, toen zij Marokko voor het eerst bezocht, gingen preoccupaties voor de vrouwengemeenschap in het land haar beeldend universum bepalen. Aanvankelijk verbleef Thomassen bij autochtone families, waar ze krachtige, zelfbewuste  vrouwen aantrof, die gewend waren hun eigen weg te volgen teneinde in een sterke hiërarchische Marokkaanse gemeenschap te overleven. Op haar imposante, vaak metersgrote en klein formaat aquarellen, tekeningen en schilderijen figureren mysterieuze, indringende vrouwenfiguren, al of niet (half)naakt in aanschouwelijke lichaamshoudingen, veelal afgebeeld met net geboren kinderen in confronterende intieme situaties. Een onmiskenbaar persoonlijk, virtuoos handschrift in doorgaans ongemakkelijke beelden, versterkt door sterke kleurcombinaties, die Aline Thomassen plaatst tegenover het ideaalbeeld dat de beschouwer veelal in de media en ook in kunstgeschiedenis kan aantreffen. In het kader van het Amazigh festival in 1998 in Den Haag toonden we haar werk al in een (duo) tentoonstelling met de in Marokko geboren kunstenaar Laila Meliani. Onze toenemende interesse in de Marokkaanse kunst was daarmee een gegeven, feitelijk de aanloop naar de samenwerking later met Mohamed Abouelouakar. Tussen Mohamed Abouelouakar en Aline Thomassen bestaan tot op heden innige, artistiek inhoudelijke contacten.

Aline Thomassen, Saaïda en Alba, aquarel, 28 x 37 cm, 2007 (particuliere collectie)

Mohamed  Abouelouakar produceerde ook een aantal films waaronder Le Miroir Enchanté en Hadda. De eerste konden we vertonen gedurende de tentoonstelling in Den Haag. Ik herinner me Le Miroir Enchanté als een geïmproviseerde film met magisch realistische beelden gevolgd door teksten. Hadda is verhalend opgebouwd. In een arm, uitgedroogd Marokkaans dorp wordt de jonge Hadda verkracht door Hamid, die als jonge landeigenaar is teruggekeerd om zijn erfenis op te eisen. Hadda wordt het dorp uitgezet en in de woestijn aan haar lot overgelaten. Misbruik van vrouwen wordt in Marokkaanse films dikwijls aan de kaak gesteld. De kunstenaar verwerkte dit gevoelige thema met schaarse, poëtische dialogen en overweldigende beelden, waarmee het een filmisch monument werd. Met Hadda sleepte de kunstenaar in 1984 de eerste prijs op het tweede Festival National Marocain in de wacht. Kleur, positionering van de personages of de opbouw van scênes in films duiden de gedachtewereld van de schilder Abouelouakar. De beweging van de camera had hij nodig om de actie in zijn schilderingen weer te geven. Ze openen droomachtige dieptes die alleen zijn camera perfect weet door te voeren. Overigens zou Abouelouakar na Hadda wegens gebrek aan financiële steun in Marokko geen films meer maken.

Mohamed Aboualouakar op de set van zijn film Les Tueurs, 1971

Het schilderij La rêve d’icar, dat we voor de collectie van Heden aankochten is een mooi voorbeeld van Abouelouakars mystieke en verhalende werk. Icarus beschrijft het verhaal van de Griekse uitvinder Daedalus, die zijn zoon Icarus vleugels ombond zodat hij kon vluchten uit het labyrint van de gemene koning Minos. Deze urgentie betekende een gevaarlijke uitvinding, de mens is immers niet gemaakt om te vliegen. Icarus werd dan ook gewaarschuwd door  zijn vader. ‘Niet te dicht bij de zon, anders smelten ze’. Bij onze expositie in Den Haag verscheen een publicatie met twaalf afbeeldingen uit een van zijn cahiers, een soort facsimile, voorzien van een korte tekst van Nicole de Pontcharra (zie literatuurlijst). Enige tijd geleden belandde La rêve d’icar in de collectie van de schrijver en fotograaf Abdelkar Benali, curator van Het andere verhaal, kunst uit het Marokkaans modernisme. De tentoonstelling vertelt het verhaal van de moderne hedendaagse Marokkaanse kunst in een multidimensionale context, vanaf de onafhankelijkheid van Marokko in 1956 tot heden. Bij pioniers van het eerste uur is duidelijk dat ze zijn beïnvloed door hun traditionele Marokkaanse kunsten, zoals oosterse tapijten, kalligrafie en smeedwerk. Om het modernisme Marokkaans te laten zijn, zochten diverse kunstenaars naar een diepere relatie met de omgeving en moest de Marokkaanse geschiedenis, cultuur en landschap een plek vinden in hun kunst. Daarin zijn globalisatie, de botsing tussen moderniteit en traditionele waarden, migratie en diaspora belangrijke thema’s, maar ook religieuze thematiek zoals die rondom de dood (de duivel) en de opstanding (engelen), zoals de curatoren aangeven: Marokkaans modernisme, combinatie van traditionele waarden en moderniteit. De omvangrijke en veelzijdige expositie (ruim honderd kunstwerken van een grote diversiteit van zo’n vijftig Marokkaanse kunstenaars) geeft een overzichtelijk beeld van de stand van zaken in de hedendaagse Marokkaanse beeldende kunst, hier en daar schurend of provocerend, zonder af te stoten. Een groot gedeelte van de kleurrijke werken is afkomstig uit de collecties van het Museum Mohamed VI in Rabat en van het Fondation Nationale des Musées du Maroc, aangevuld met werken van kunstenaars uit Marokko en Europa.

Mohamed Abouelouakar, solo show in galerie l’Atelier 21, (Screenshots uit www/l360.ma.Abouelouakar, te zien op Youtube)

Mohamed Abouelouakar, wisselend wonend in Marokko en Rusland, is voor mij de afgelopen jaren onder de radar gebleven. Veel zicht op zijn werk heb ik niet gehad, maar al speurend op internet lijkt zijn beeldtaal en de betekenis van zijn werk onder invloed van nieuwe maatschappelijke inzichten en ontwikkelingen nauwelijks veranderd. Op You Tube zijn opnames te zien van vrij recente tentoonstellingen, voorzien van beelden en een interview met hem. Eind 2020 had Abouelouakar zijn meest recente tentoonstelling in galerie L’Atelier 21 in Casablanca, in coronatijd. Toen verscheen ook een monografie over zijn werk, L’ Oeuvre en mouvement. Het duidt bepaald niet op artistieke stilstand. Dankzij You Tube, Abdelkader Benali en Aline Thomassen geraken we weer van zijn wel en wee op de hoogte. Wellicht leidt Het andere verhaal, kunst uit het Marokkaans modernisme in het Cobra museum hier tot vernieuwde belangstelling voor het werk van een alom gerespecteerde kunstenaar. Go on Mohamed.


Enkele kunstwerken uit de tentoonstelling Het andere verhaal, kunst uit het Marokkaans modernisme in het Cobra museum. Curator: Abdelkader Benali.

Bronnen

L’oeuvre Abouelouakar. Uitgave Fondation culturelle de la  Banque Commerciale du Maroc, 1998
Reproductie van 12 tekeningen uit het cahier M. Abouelouakar Carnet. X 1993-94 Casablanca. Uitgave Artoteek Den Haag, 2001
Aline Thomassen, “The Ideal Muslim Woman”. Uitgave GEM, Den Haag, 2005
Teksten uit de tentoonstelling Het andere verhaal in het Cobra Museum, Amstelveen, 2022
Gespeur op internet en herinneringen en observaties van Rob Knijn en de auteur

‘Zo rooi ik me door eigen werk en leven’ Over de kunst van Chris de Bueger

Geen rode loper voor kunsthistorici

Gewoonlijk ben je geneigd een kunstwerk sec te bekijken, zeg maar compositie, kleurgebruik en dergelijke, de intrinsieke ‘schoonheid’ zien en bovenal wat je al of niet in het werk aantrekt: wat wordt er uitgedrukt? Om vervolgens je mening te vormen. Maakt die je verder nieuwsgierig naar het persoonlijke verhaal van de maker, zijn leven, de ontwikkeling van het werk en zijn artistieke oeuvre? Mij wel, ik leg graag interesse aan de dag voor degene die achter het werk zit, biografieën zijn vaak aan mij besteed.

Al geruime tijd kruis ik het pad van de kunstenaar Chris de Bueger (1948), wiens werk en kunstenaarschap ik altijd met interesse volg en te meer nu ik een biografische tekst van hem onder ogen krijg. Chris de Bueger heeft zijn artistieke sporen ruimschoots verdiend, maar loopt er in al zijn bescheidenheid niet mee te koop. In de vergetelheid raakt hij niet, want hij laat artistiek gezien genoeg van zich horen, al is het niet in brede kring. Een alom gewaardeerde kunstenaar in zijn vakgebied, wiens kunst intrigeert. Iedere keer als ik zijn schilderijen en tekeningen bekijk, stelt het mijn waarneming op de proef. Zijn geschilderde wereld is niet direct herkenbaar, naar enig houvast moet je speuren. Licht en kleur zijn belangrijke motieven in zijn werk, gevoelig als hij is voor het daglicht dat zijn atelier vult. Licht krijgt de ruimte, en hij verankert dat stevig in zijn composities. Dikwijls een wonder van licht, wel in een schemergebied tussen herkenbaarheid en vervreemding. Observaties, herinneringen, invallen, belevenissen of hetgeen toevallig op zijn weg komt legt hij vast in ogenschijnlijk abstracte composities met subtiel kleurgebruik. De laatste jaren zijn dat veelal witte, grijze ruimten in een coloristisch tegenspel van uitgesproken gelen, okers, blauwen, met hier en daar wat roze. Zwarte vlakken kunnen zich dominant openbaren, blauwe en zwarte snippers waaieren over het doek. Daarin figureren silhouetten, staande, liggende of zittende menselijke figuren, maar wie of wat ze representeren blijft mistig. Reflecteert daar de zon op het water? Ontwaar ik werkende mensen in het veld? Door dat openstaande venster zal wel licht naar binnen vloeien. De Buegers verbeelding kan mijn ideeën over plaats en tijd op losse schroeven zetten, en niet alleen de mijne, vermoed ik. De titels die hij aan de begeleidende ‘schriften’ van zijn tentoonstellingen meegeeft doen vermoeden dat zijn werk geen vaste betekenis heeft. Wat te denken van ‘Vloedbos & Dwaalgasten’, ‘Distelpluis’ of ‘Stroef om de mond’? Zijn werk is duidelijk geen rode loper voor kunsthistorici, zoals De Bueger zelf opmerkte.

‘Onder een hoge maan
ligt een aap
Even verderop
kan ik mijn schoenen
niet meer vinden
Er wordt geklopt
ook dat nog
Toch
als je alles overziet
en
hoe gedraaid ook
ik
bij een vroeg grijze avond
de band plak
en denk
this is the life’

Bovenstaande tekst van de kunstenaar komt uit zijn Denkbeelden & Deining. Chris de Bueger in een notendop, denk ik erbij. Als ik hem bel voor een gesprek op zijn atelier lepelt hij meteen een anekdote op over een interview dat hij ooit aan een verslaggever van de Deventer Courant gaf, naar aanleiding van een expositie. Op krukjes tegenover elkaar gezeten vuurde deze de eerste strenge, autoritaire vragen op de kunstenaar af: ‘Geboren?’ en ‘Opleiding?’, waarop De Bueger riposteerde ‘Ik krijg toch geen bekeuring?’. De recensent in kwestie ontstak daarop in woede, smeet zijn opschrijfboekje op de vloer, schreeuwde de kunstenaar toe om daar maar een foto voor een artikel van te maken, om vervolgens af te nokken. Dat zou Chris de Bueger wel heel leuk hebben gevonden. Achteraf is het nog wel goed gekomen, toen de journalist bij zinnen terugkwam om zijn boekje op te halen, en er alsnog een geanimeerd gesprek over de tentoonstelling plaatsvond. De recensie in kwestie heb ik niet kunnen achterhalen. Over Chris de Bueger is slechts in kleine kring gepubliceerd. Een inkijkje in zijn kunstenaarschap, het ventileren van hoogtepunten daaruit, alsmede enige biografische notities lijken me hier op z’n plaats.

Staketsels en project ‘Zaal 212’ in Museum Fodor

Chris de Bueger heeft over een lange periode een veelzijdig oeuvre opgebouwd, in uiteenlopende technieken. Zijn eerste werken waren schilderijen van interieurs of delen daarvan. Ook schilderde hij stillevens met vazen en bloemen, of schalen met fruit. Niet pregnant verbeeld, de objecten zijn veelal naar de rand verschoven. Vanaf midden jaren zeventig maakte hij houten sculpturen, bestaande uit aan elkaar gespijkerde latten van sloophout, voorzien van strepen en stippen. Staketsels noemde hij ze. Hun vormen schilderde hij tevens op doek. Die sculpturen en schilderijen combineerde hij, zoals te zien in het werk ‘Hommage aan J.J.’ uit 1977. De staketsels voorzag hij van betekenisvolle titels als ‘Hek’, ‘Kerstmis ’77’, ‘Svalan’, ‘Blokje’, ‘De ontmoeting’, ‘Helmond’, ‘Lola’, ‘Eddie M.’, ‘Voor Hokusai’, ‘Monument voor Leeghwater’ of ‘De oude zieke ballerina’. In deze Monumenten voor de kwetsbaarheid koos hij het staketselachtige, de chaotische ordening, als het onderwerp van zijn schilderijen. De gelijknamige publicatie uit 1978 markeert deze periode. Hoe actueel vandaag de dag, nu vele monumenten van hun voetstuk worden getrokken en vele juist voor de onkwetsbaarheid zijn vervaardigd. ‘En hoe kwetsbaar zijn de werken van beelden die uitdrukking geven aan vermoorde Joden, zigeuners, homoseksuelen, communisten en andere minderheden voor wie een monument stilte, maar zeker niet: stilzwijgen kan zijn’, schreef Sipke Huismans in een brief in de publicatie.

Midden jaren zeventig maakte Chris de Bueger gebruik van de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR), toen een collega daarvoor werd geweigerd. ‘Ik was daar kwaad over en dacht; als ik drie planken op elkaar timmer staan ze nog te applaudisseren’, vertelt hij. Om de BKR-commissie op de proef te stellen, maakte hij zijn eerste  staketsel, dat hem zo ontroerde, dat hij er meerdere ging maken. Op exposities konden ze flinke scheldpartijen veroorzaken, niet zelden aangewakkerd en uitgelokt door kunstrecensenten. Die relletjes bezorgden hem de nodige publiciteit, waardoor hij vaker werd uitgenodigd om zijn staketsels tentoon te stellen. Zo exposeerde De Bueger in 1981 samen met Ramon van de Werken in het voormalige Museum Fodor (destijds de thuisbasis voor hoofdstedelijke kunstenaars) het totaalkunstwerk ‘Zaal 212’: een monumentale installatie met sloophout afkomstig uit zaal 212 van het Stedelijk Museum Amsterdam (SMA), die toen gerenoveerd werd. Op de grond lag een woud van staketsels, in verschillende richtingen in geel en wit geverfd, met spijkers overeind gehouden. Aan de muren hing het werk van Ramon van de Werken, grote onvoorspelbare witte, gele en rode houten vormen van aan elkaar gespijkerde en uitgezaagde planken, afgewisseld met zwart-wit tekeningen van De Bueger. Boven de toegang hing een grote houten zaag. Een waardige hommage aan zaal 212 van het Stedelijk, dat bij monde van Tijmen van Grootheest ‘iets’ uit de installatie wilde verwerven, hetgeen De Bueger pertinent weigerde. Alles of niets. Na afloop liet de kunstenaar de staketsels met een shovel op een hoop vegen en met de vuilnisschuit afvoeren. Ramon van de Werken heeft er nog een fotoserie over. Een van zijn laatste en wellicht belangrijkste staketsels, ‘Scenario, 1984, stem op de band’,liet de kunstenaar in de vermaarde tentoonstelling Beelden aan de Linge in Acquoy zien. In het landschap met zijn karakteristieke gebouwen koos De Bueger als locatie een van de bunkers, waarin hij de relatie tussen zijn beeld en de omgeving het best zichtbaar kon maken. In deze omvangrijke manifestatie participeerden 48 beeldhouwers. Nadien kon De Bueger van de staketsel-monumenten meer afstand nemen. Hij bemerkte er eenzelfde stramien in, hij verlangde naar nieuwe keuzes die uit het werk en het moment van de dag zouden volgen, hopend dat die hem dichter bij zichzelf zouden brengen. Bovendien waren er navolgers, en hij begreep dat hij ermee moest stoppen omdat dit werk nu naar een opkomende stroming in de beeldhouwkunst verwees. Op eigen houtje dus verder naar nieuwe einders.

Overigens heeft hij met het Stedelijk Museum een constant moeizame verhouding. Hij liet zich er maar bij uitzondering zien, en dan nog voor een tentoonstelling met kunst van een verzamelaar waar hij blijkbaar niet omheen kon. Naar zijn mening ontkent het Stedelijk het belang van Amsterdamse kunstenaars die ‘ertoe doen’. Hij voelt het als een miskenning van een omgeving waar hijzelf deel van uitmaakt. ‘Kunstenaars als Emo Verkerk, Lucassen, Jan Roeland, Pieter Holstein, Annette Ong en anderen zijn elders wel te zien, maar hier niet.’ De Buegers principiële standpunt wortelt in eerdere gebeurtenissen, zoals zich voordeed bij het project ‘Zaal 212’ wat hij overigens een ‘leuke ervaring’ vond. Hij was ook geenszins teleurgesteld dat het Stedelijk niet de gehele installatie wilde kopen. Dat leek hem ook onzinnig, maar een deel kopen is nog vreemder: ‘je koopt toch ook geen deel van “Who is affraid of ….”!’ Ook een bezoek van de commissie van het Stedelijk, die er vijf minuten voor uittrok, met een kunsthistorica die zich afvroeg ‘of er een bepaalde reden was die kleuren te gebruiken’, stelde hem hevig teleur. Wie nu veronderstelt dat Chris de Bueger door dit soort ervaringen verbitterd is geworden, heeft het mis. Hij is bepaald niet het type van de teleurgestelde kunstenaar, in tegendeel, hij voelt zich gelukkig. Voor hem gaat beeldende kunst over vrijheid, een ongelimiteerde vrijheid van denken, zegt hij erover. En die eigent hij zich al jaren toe. Wat hij vroeger moeilijk kon, was genieten van zijn werk. Tegenwoordig kan hij rustig een week naar zijn werk kijken.

Vroege jaren

Chris de Bueger was al vroeg op de hoogte van de kunst die aan hem vooraf ging. Een oom van zijn moeders kant was de kunstenaar Jan Heyens, bevriend met onder anderen Charley Toorop, Erik Wichman en Joris Ivens. Zijn overgrootouders hadden een logement bij het Kolkje in Amsterdam. Er bestaat een mooi schilderij van Charley Toorop van dat café. In De Buegers atelier staat een foto daarvan. Het lijkt een opmaat naar haar beroemde werk ‘De maaltijd der vrienden’. Zijn moeder voedde Chris met bijzondere verhalen over de kunst. Van zijn ouders kreeg hij mee dat hij ook verantwoording moet dragen voor de maatschappij waarin hij leeft.

Chris de Bueger genoot zijn opleiding aan de Rietveld Academie waar hij zich ’s avonds vier jaar lang in grafiek specialiseerde. Schilderen deed hij thuis. Hij besefte toen dat kunst maken een solo-avontuur zou worden. Kort na de opleiding verbleef hij met zijn latere partner, kunstenaar Annette Ong, enige tijd in Marokko, in een ‘prachtig’ atelier in Fez. Aat Veldhoen had hen daar naartoe gelokt. De invloed van het licht en patronen van weefsels, waar het werk van Matisse al een voorbode van was, zou hem sterk beïnvloeden. Als 18-jarige stond Chris in Parijs oog in oog met een van Matisses schilderijen, hetgeen hem naar eigen zeggen hartkloppingen bezorgde. In Fez maakte De Bueger veelal stillevens met onconventionele composities, verwant aan de stroming de Nieuwe Figuratie, die als een vanzelfsprekende verwantschap voelde. Nadrukkelijk vermeldt hij Lucassen die in ‘De eenzaamheid van Donald’ zoveel compassie oproept met de uitgeputte en doodongelukkige stripheld én Pieter Holstein, die nogal raadselachtig werk maakte. Ook Raveel met zijn beeldende analyses heeft De Bueger bewust gemaakt. En natuurlijk Matisse met zijn knipsels, zijn naam valt in ons gesprek regelmatig. Tevens refereert de kunstenaar aan literatuur en poëzie van schrijvers als Andrej Platonov of Rainer Maria Rilke, die vruchtbaar waren voor zijn kunst.

Na zijn werkperiode in Marokko betrok De Bueger in 1971 een atelier aan de Amsterdamse Javastraat, hij is er nooit meer weggegaan. Een helder en geordend atelier waar ‘het mooiste licht van de wereld heerst’, dat onder invloed van de weersomstandigheden voor veel variatie zorgt, een spel van invallend licht, gloed en schaduwen. Ik ervaar het zelf op de dag dat ik hem bezoek en de storm Corrie over het land raast. Het verwondert hem altijd maar weer; door het veranderde licht ziet hij zijn werk steeds op een nieuwe manier. Het licht in het atelier bood hem de kans om kleur meer betekenis te geven. Er volgde werk waarin ultramarijnblauw naast omber en wit de hoofdrol speelde. Toen het na enige tijd onmogelijk werd een andere kleur toe te laten, ging hij verder in zwart, bruin en grijzen, maar de somberheid ging hem al snel benauwen. Dus besloot hij om met kleurcombinaties te gaan werken die hij vreselijk vond, om de emotionele omgang met zijn werk te behouden. Het werd oranje/rood, en zijn aanvankelijke aversie sloeg om in bewondering. Zo werd het mogelijk om weer kleuriger te gaan werken. De vriendschap met Jaap Hillenius hielp hem om kleur bewuster in te zetten. Van vitaal belang voor de ontwikkeling van zijn werk bleek een ontdekking op het Grafisch Atelier in de late jaren zeventig. Bij het maken van kleurseparaties bemerkte De Bueger dat bij het toevoegen van meer kleuren na de eerste druk het licht uit de prent verdween.

Epistolaire gaven heeft De Bueger ook. Dat blijkt wel uit teksten die hij over vakbroeders schreef, gedichten in eigen publicaties, inleidingen in catalogi, en correspondentie die hij met menigeen in de kunstwereld voerde. Ook juryrapporten voor de Buning Brongers Prijs, waarvan hij jarenlang bestuurs- en jurylid was, schreef hij met verve. Het werk voor besturen, commissies en jury’s heeft hem altijd plezier verschaft, dat voorkwam dat hij navelstaarder zou worden, zegt hij. À propos, De Bueger is mede het artistieke geweten geweest in de transitie van de Haagse Artoteek naar kunstcentrum Heden, aanvankelijk als lid van de aankoopcommissie, later als lid van de Raad van Toezicht. Het was immer een uitdaging een kunstenaar bij de organisatie van de kunstinstelling te betrekken die niet direct binnen ons gezichtsveld opereerde en met frisse, originele invalshoeken het beleid bevroeg.

Stroef om de mond

Chris de Bueger verlegde zijn grenzen verder met het vervaardigen van nieuwe sculpturen, series beelden van keramiek, geglazuurd goud en blauw. Hij maakte er mooie beeldromans van met dichterlijke titels als ‘Stroef om de mond’ en ‘de Rustende Jager’. De eerste over  een serie abstracte gouden beelden en objecten, waarin menselijke gedaanten schuilgaan. Ze zijn ruw geboetseerd, en door het goud hebben ze een beweeglijk licht op het oppervlak. Met de verkoop van twee beelden kon hij ‘Stroef om de mond’ uitgeven en de beelden in de Oude Kerk op de Amsterdamse wallen tonen. Dat was overigens de eerste kunsttentoonstelling die daar plaatsvond. De Bueger was er van jongs af al bekend. Oom Henk Heyens (broer van oom Jan Heyens), had er zijn atelier in de laagbouw van de kerk. Toen Henk slecht begon te zien, hielp Chris als 12-jarige hem zijn atelier te ontruimen.
‘De Rustende Jager’ is een serie min of meer zelfstandige beelden over de jager als kunstenaar, op jacht naar een vorm. ‘Jagen moet hij en zijn rust verdient hij pas wanneer hij vorm heeft gegeven’, schreef Aart van Zoest in 2002 in de uitnodigingstekst toen deze beelden bij Heden/voorheen Artoteek Den Haag te zien waren. Veertig kleine en (middel)grote blauwe keramische beelden, menselijke vormen, zoals de jager die op z’n rug met de benen wijd uitrust en onbevangen en ontspannen van zijn vrijheid geniet. Of beelden die de jager tonen in een staat van seksuele opwinding, terwijl sommige jagers zich overgeven aan de daad. De blauwe beelden gaan terug naar het profane leven, De Bueger vermoedt dat er in het basale bestaan veel poëzie zit. Naar Bob Dylan: ‘I am a poet, I know it and hope I don’t blow it’. De keuze voor blauw-ultramarijn duidt op ruimtelijkheid, waardoor het beeld immaterieel, een uitsnede van de werkelijkheid, een gat in de werkelijkheid werd. Gewerkt ‘ins Blaue hinein’ volgens zijn opvatting dat het werk geen routine mag worden. Zoals we eerder zagen stopt De Bueger bij het vermoeden van routine: ‘je moet alles steeds weer ondergraven, steeds opnieuw beginnen. Dat is een raar en eenzaam bestaan, maar ook heel spannend. Dan bemerk je dat er een soort onbenoembaar verlangen bestaat’, zegt hij erover.

Vanaf ongeveer 1972 werden de schilderijen abstracter, met dynamische patronen van grote en kleine vlakken, vlekken, strepen en balken, en met figuren en objecten erin verwerkt. De voorkeur voor patroonachtige schilderijen kwam voort uit zijn afkeur van hiërarchie. Het interesseert De Bueger om ‘onbegrepen’ met hiërarchie om te gaan, waardoor de leeswijze van een werk elke logica mist, en er een andere ordening ontstaat. Het is de kunstenaar ten voeten uit. Volgens hem geeft het de beschouwer veel ruimte om een eigen invulling en interpretatie aan het werk te geven. Het kunnen ware ontdekkingstochten zijn, waarin de vormen wel te duiden zijn, maar je naar de betekenis moet gissen; een avontuur met zuiver schilderkunstige middelen. Licht werd een leidende factor, beeldend werd het complexer. Kleurige onbestemde vormen, veelal geel en blauw maken zich los uit grijs-witte vlakken, schuin geplaatste of bijna rechte zwarte vlakken trekken je mee de ruimte in. Wel drie keer aandachtig kijken, en je visuele fantasie gebruiken, anders raak je het spoor bijster. Wat er zich afspeelt is niet gemakkelijk te vangen: planken, lantaarnpalen, stoepranden, boomstammen, lichaamsdelen, eenvoudig en toch geheimzinnig. Lees hoe schrijver Hans Sizoo het verwoordde: ‘In de voorstelling kan de verf zich opdringen als tastbare materie of een kleur springt van die verre plek naar voren, halve perspectieven voeren weg naar een ruimte waarvan het einde zoek is, een verfstreek gaat in tegen de draad van het motief of een kleur is aan dat motief zo vreemd dat hij het motief zelf doet vergeten.’ Opgedoken herinneringen als motief, in andere vorm op het doek geplaatst? In ieder geval niet duidelijk zomaar weggezet, dat zou het kijken van de beschouwer maar belemmeren. Het is De Buegers opzettelijk ingevoerde ongrijpbaarheid van wat als loutere voorstelling zo simpel blijft. Het werk geeft zich niet zo maar prijs . De geleidelijke ontwikkeling ervan in de laatste jaren is op de voet te volgen in de zeven ‘schriften’ die zijn galerie AdK over zijn werk publiceerde. De eerste ter gelegenheid van de tentoonstelling Inzichten & Uitzichten, in 2011. Een voor- of nawoord tref je er niet in aan, wel een leeg vlak waar de kijker zijn of haar eigen betekenis of indruk kan invullen.

Beckmann, Perseus en Beckmann

De Buegers tekeningen roepen de nodige associaties op, ze zijn al vanaf het begin van zijn kunstenaarschap tot volle wasdom gekomen. Een mij aansprekend voorbeeld breng ik graag te berde, het bijzondere boekje Beckmann, Perseus en Beckmann van kunsthistoricus en essayist Hans Sizoo met tekeningen van Chris de Bueger. In 1940-1941 schilderde Max Beckmann tijdens zijn exile in Amsterdam het drieluik Perseus, over de galante held uit de Griekse mythologie. Perseus versloeg het zeemonster die de Ethiopische prinses Andromeda in wrede gijzeling gevangen hield, en die in enkele werken van Beckmann ten tonele verschijnt. Bij Hans Sizoo riep deze mythe in Beckmanns schilderijen zoveel vragen op, dat hij er een essay aan wijdde. Wat hem vooral intrigeerde, was de minder galante verschijning van de Griekse held bij Max Beckmann. Omdat de reproductiekosten voor het afbeelden van Beckmanns werk, die de grootste musea over de gehele wereld sieren, dacht Sizoo niet aan een publicatie. Daar wist Chris de Bueger raad mee. Toen hij, zeer in Max Beckmann geïnteresseerd, van Sizoo’s financiële perikelen rond de uitgave hoorde, ging hij aan de slag en vervaardigde 37 lijntekeningen in zwarte inkt, naar voorbeeld van de werken van Beckmann. Prachtige tekeningen. Zo ook de honderd tekeningen die op ware grote staan afgebeeld in het juweeltje Tautologie, herhaling van eenzelfde denkbeeld met een andere uitdrukking. Ze zijn geselecteerd uit een tekenboek van De Bueger, ontstaan in 2012/’14. Alle componenten en onderwerpen die hij al of niet verborgen opneemt in zijn schilderijen, komen erin aan bod. De tekeningen vonden afzonderlijk voor een spotprijs hun weg naar de vele kopers. Maar met deze uitgave bleef de tautologie in zijn geheel zichtbaar. En let eens op de expressieve zwart-wit tekeningen, Narooien, als metafoor voor de fase waarin de kunstenaar de laatste hand legt aan zijn schilderijen. De Bueger bedacht de titel bij het zien van de film Les Glaneurs et la Glaneuse van Agnes Varda, waarin zij het ‘nalezen’ (narooien) als metafoor gebruikt voor haar werkwijze als oudere kunstenaar. De Bueger voelde zich verwant aan die gedachte, hij rooit zich door zijn eigen werk en zijn leven, zoals hij in een van zijn schriften noteert. Nagerooide aardappels, het restant uit een reeds gerooid veld, worden in het Franse gehucht (vijftien inwoners) waar de De Buegers al sinds eind jaren zeventig bivakkeren, nog steeds verkocht. Iedere keer als ze ernaartoe trekken, sleutelt hij er nog steeds, veelal met vereende krachten, aan het huis en de bijbehorende schuur, zijn werkplaats. Zij zijn er onderdeel van de gemeenschap geworden.

Galerie AdK

Het klinkt als een cliché maar Chris de Bueger doet wat hij leuk en zinvol vindt. ‘Ik ben een geluksvogel’, benadrukt hij in het begin van ons gesprek. Sowieso fietst hij dagelijks naar zijn atelier, zijn ‘kluis’ waar hij zich content voelt en waar hij voor zichzelf kan werken. Niet voor galeries, kunsthistorici of recensenten, meer voor vrienden, goede kennissen en vakbroeders, lijkt het. Vanaf midden jaren tachtig leek hij niet van harte te willen exposeren, lees ik ergens. Niettemin exposeert hij graag, behalve als hij wordt uitgenodigd om een andere reden dan zijn werk. Hij heeft dikwijls nee gezegd. Sinds 1999 exposeert hij nog uitsluitend bij de Amsterdamse galerie AdK, met af en toe een uitstapje. En dan nog met kunstenaars en bij instellingen waarmee hij zich verwant voelt; stijl of stroming maakt hem dan minder uit. Zijn galerie bestaat al ruim twintig jaar en brengt een kwalitatief goed en gevarieerd programma, vaart een eigen koers met kunst die de waan van de dag laat voor wat ze is. Met een vaste stal van oudere kunstenaars als Pieter Holstein, Margriet Thissen en Annette Ong. Ieder jaar voegen zich er wel een of twee van een jongere garde bij, zoals Anika Mariam Ahmed of Rijnder Kamerbeek.

Maatschappelijke status en positie van de kunstenaars zijn voor galeriehoudster Ada de Koning belangrijk, edoch probeert zij ‘bescheiden’ en niet ‘hijgerig’ belangstelling voor haar kunstenaars te kweken en hen in hun ontwikkeling zoveel mogelijk te schragen. Het is evident dat verkoop belangrijk is, omdat veel kunstenaars geen kapitaal achter de hand hebben. De galerie AdK is een bijzondere uitzondering in een kunstwereld waarin veel galeriehouders met zware, ondoordringbare en (quasi) diepzinnige taal en tekst kijkers tot aankoop aanzetten. ‘Elvis zong het al: “Only a fool rushed in”’, zegt De Bueger. Gelukkig weet AdK voor haar kunstenaars steeds zoveel te verkopen, dat in ieder geval de beroepsuitgaven gecompenseerd worden. Blijkbaar weet zij met ‘liefde’ voor de kunst en de kunstenaars financieel een goede balans in de galerie te bewaren.

En dan hangt werk van haar kunstenaars plotseling in het buitenland: een Amerikaans gezin dat stomtoevallig bij AdK langsloopt, zich de gehele collectie laat tonen, afscheid neemt en dagen daarna de galerie laat weten dat ze tig werken wil aankopen voor hun huis in Los Angeles. Of de galeriehoudster kan overkomen om advies te geven bij de inrichting. Van Chris de Bueger verwierf het Guggenheim Museum in New York al eerder een aantal gouaches en een doek van formaat (figuurlijk, en letterlijk: 200 x 180 cm) na een atelierbezoek van zijn vroegere galeriehouder Jack Visser met de toenmalige Guggenheim-directeur Thomas Messer. Messer zag blijkbaar een mooi verhaal achter De Buegers werk, want hij kocht subiet. Zo hangt menige De Bueger aan de andere kant van de oceaan. En passant heeft De Bueger nog geprobeerd zijn vleugels in New York uit te slaan. Hij voelde er zich niet thuis, zeker niet nadat hij enigszins om geld verlegen zat na ontslag als docent op de Rijksakademie, met de komst van een nieuwe patriarch daar in 1986. Op de Rijksakademie pleitte hij voor vijfjarige contracten van docenten en begeleiders, en meende na vijf jaar zelf het voorbeeld te moeten geven. Lesgeven was nooit zijn ambitie, maar het gaf hem veel plezier. Chris de Bueger was tevens docent aan de AKI in Enschede, nu onderdeel van de Hogeschool ArtEZ (1977-1985).

Een gevleugelde uitspraak van Chris de Bueger is dat zijn kunst niet behaagziek is, en ook geen rode loper voor kunsthistorici. Stellig beoogt hij daarmee geen ‘kwaliteitskunst’ te (willen) maken, wel werk van betekenis, zonder dat het altijd begrijpelijk of voorspelbaar is. Niet tijdsgebonden ook, maar consistent. Hij is van mening dat vooral commissies het begrip ‘kwaliteit’ moeten gebruiken om hun keuzes te rechtvaardigen, maar dat die oordelen nooit objectief over kunst gegeven kunnen worden.
Ik vind zijn werk van grote schoonheid getuigen. En zeker zal hij ook angst voor of twijfels hebben over de kunstgrepen die zijn artistieke vakmanschap aan hem opdringt. Dat belet hem niet om de schoonheid van angst te voelen en te verbeelden. Ik mag zijn werk toch wel mooi noemen?

Geraadpleegde literatuur en teksten uit het archief van Chris de Bueger, waaruit geciteerd is

Chris de Bueger, Monument voor de kwetsbaarheid. Franeker en Enschede: Museum ’t Coopmanshuis en Markt 17, 1978.

Piet Cleveringa, Nicolette Gast & Cees Hilhorst (red.). Beelden aan de Linge. Werken van 48 hedendaagse kunstenaars in Nederland te Acquoy. Utrecht: Reflex, 1984.

Chris de Bueger, Denkbeelden & Deining. Amsterdam: Fundatie, 1988.

Rijksdienst Beeldende Kunst, Nederlandse kunst. Rijksaankopen 1989. ’s-Gravenhage: Rijksdienst Beeldende Kunst  / SDU uitgeverij, 1990.

Hans Sizoo & Chris de Bueger, Inzichten & Uitzichten. Schrift 3. Amsterdam: Galerie AdK, 2010.

Hans Sizoo, Beckmann, Perseus en Beckmann. Met afbeeldingen van Chris de Bueger. Soesterberg: Uitgeverij ASPEKt, 2012.

Chris de Bueger. Tautologie. Schrift 34. Amsterdam: Galerie AdK, 2017.

Gesprek met Chris de Bueger op 31 januari 2022 op zijn atelier en zijn reacties op de eerste tekst, die ik heb verwerkt.

”Geen idee wat jullie gaan doen maar ik ga maar eens keihard alles van me af douchen”, Monika Dahlberg.

Momenteel exposeert de Nederlandse kunstenaar Monika Dahlberg fotografie in de intieme presentatieruimte van Sundaywonders in Den Haag, waar curator Mark Peeters voor (nieuwsgierige) liefhebbers bijna maandelijks wonderlijk schone tentoonstellingen organiseert. Een goede aanleiding om het werk van Monika Dahlberg onder de loep te nemen, een kunstenaar die op sociale media woont. Meteen na een bezoek aan haar zond ze bovenstaande selfie de wereld in, voorzien van een summiere impressie: “heerlijk gebakken eieren, bitterkoekjes en mooie verhalen”. Zo’n beetje iedere dag stuurt ze een stortvloed aan berichten het net op, veelal verpakt in de vorm van afbeeldingen van haar bonte, curieuze collages en beelden, die niet zelden mysterieus aandoen. En bovenal selfies, “otofoto’s”, continu veranderende profiel- en omslagfoto’s, of Engelse teksten, voorzien van spits en speels commentaar, haar volgers uitnodigend tot reacties. Ze schroomt niet om zich, dikwijls confronterend maar evenzo humoristisch, in een debat over de kunstwereld te roeren of überhaupt over hetgeen Facebookvrienden en ander heerschap te berde brengt. Of niet. Dan schudt ze hen met één opmerking wakker, brengt een discussie op gang, om vervolgens niets meer van zich te laten horen (en met een kwinkslag keihard alles van zich af te douchen). Veel van haar volgers worden door haar kunst(en) aan het denken gezet, haar manier om zich als kunstenaar met de wereld te verbinden.

BijlmAIR
Ik ontmoet Monika Dahlberg tijdens haar residentie in BijlmAIR, het residentieprogramma dat het CBK Zuidoost in samenwerking met onder andere het Stedelijk Museum Amsterdam heeft opgezet. Op uitnodiging van het CBK kunnen kunstenaars hier voor een periode van maximaal drie maanden wonen en werken. De residentie is gevestigd in de Bijlmermeer, in een flat in een complex met binnenterrein, geschilderd in overwegend primaire kleuren in diagonaal aangebrachte banen. De interventies, die andere kunstenaars eerder in de flat pleegden, duiden op intensief gebruik van de twee verdiepingen tellende ruimte. Monika ziet er in haar kleurrijke, frivole  creaties immer ontwapenend uit. Zoals we haar van social media kennen: op selfies in een onalledaagse, frisse outfit, vaak met kleurige extension-vlechten, gehuld in T-shirts met afbeeldingen van haar werk, met grootse mutsen, fluorescerende zonnekleppen of anderszins piekfijn uitgedost. In BijlmAIR werkte Monika Dahlberg samen met Artist-in-the-World André Smits met wie ze een artistiek duo vormt en die tevens haar partner is. De woon- en werkruimte hier ziet er dynamischer uit dan de inrichting in Doesburg, die Thijs Wolzak enkele jaren geleden voor de serie een “zo leeg mogelijk kunstenaarshuis”  fotografeerde. Daar vervaardigde ze (met slechts één echte stoel uit de kringloop om “boeken in te lezen”) arthousefilms en fotoboekjes ‘met “rauwe en eerlijke” zelfportretten als reactie op de gelikte foto’s op social media.

Het resultaat van de residentie in BijlmAIR was te zien in de tentoonstelling AIR # 2020/21 met werken van (inter)nationale kunstenaars die in Amsterdam Zuidoost resideerden. Overigens geen kunstenaars uit de ‘stal’ van het Stedelijk, die blijkbaar liever elders werken en bij voorkeur in een hotel verblijven. Directeur Rein Wolfs heeft zich naar verluidt nog niet in BijlmAIR laten zien.

Monika Dahlberg (1975, Kericho, Kenya) kwam als driejarige peuter naar Nederland. In het Groningse Appingedam, waar ze haar jeugd doorbracht, is ze ongetwijfeld een bezienswaardigheid geweest. Toch moet die kleinstedelijke, ruimtelijke omgeving haar creatieve geest beduidend hebben gevoed. Ze gedijde er goed. Het heeft er zeker aan bijgedragen dat ze zich in de Zeeuwse dorpen Hoek en Kattendijke, waar ze jarenlang bivakkeerde, senang kon voelen en waar haar creativiteit zich ten volle kon ontplooien. Kenmerkend in haar kunst zijn de kunsthistorische verwijzingen die ze koppelt aan haar eigen biografie; werk in een fraaie, specifieke beeldtaal, die ze verweeft met hoe ze in het leven staat en het ervaart. Door kenners wordt haar werk wel geschetst als “krachtig en vitaal, doortrokken van sensorische, erotische energie”. Overigens heeft ze de behoefte om terug te gaan naar haar roots in Kenia nooit sterk gevoeld, al bezocht ze haar geboorteland wel een paar keer. Ze voelt zich een vreemde in haar eigen land, laat ze zich ergens ontvallen.

Monika Dahlberg studeerde aan de Academie Minerva in Groningen. Ze is van alle markten thuis: ze vervaardigt sculpturen en collages, filmt en fotografeert, maakt installaties en uit zich in teksten. Haar collages, fotografie en korte films zijn veelal momentopnames van het alledaagse. De close-ups van haar eigen lichaam en zaken die zij zich herinnert zijn te lezen als dagboeken in tekst en beeld. Tekst die een foto vergezelt, vertelt ogenschijnlijk weinig of niets over het beeld. Zo laat zij de toeschouwer meekijken, die de opnames naar eigen inzicht mag interpreteren: selfies in een overvloed van ”zomaar” foto’s, met een nietsverhullende blik, waarin saaie details monumentaal en meeslepend blijken te zijn. Ernstig, vrolijk en wrang, de werkelijkheid onthullend. Er mag (verhuld) gelachen worden, echter haar werk is bloedserieus. De eenheid van beelden en teksten, die er dus ”niet zomaar zijn”, alles komt uit dezelfde bron en vormt daardoor een mooi, compleet geheel. Aldus laat zij de dingen zien waar wij al lang niet meer op letten. “Ho, stil, wacht even, maar dat is toch prachtig!!”, zegt ze erover. Altijd staat ze op scherp, teneinde niets uit de (kunst)wereld te missen dat zich moet verhouden tot de mediacultuur van nu.  

In het werk dat Monika Dahlberg & André Smits in BijlmAIR creëerden, reflecteerden zij met name op Zuidoost-Amsterdam, waar de residentie gevestigd is. De expositie maakte duidelijk dat de samenleving van dit stadsdeel zo’n elf (inter)nationale kunstenaars op een bijzondere manier wist te inspireren.* Covid gooide echter roet in het eten, de tentoonstelling  was geruime tijd niet te bezoeken. Van buiten was slechts een glimp op te vangen. Van Monika sculpturen, van André Smits, in het kader van zijn Neverending project, betekeningen en foto’s van eerdere residenten in hun eigen atelier. Smits’ project is uitgegroeid tot een min of meer permanente samenwerking met Dahlberg. Ze waren als duo al in 2020 in BijlmAIR. Toen nodigden ze interessante personen uit die ze tijdens hun verblijf in Zuidoost ontmoetten en voerden gesprekken met hen over hun werk: dj’s, muzikanten, performers et cetera. Ook toen was Covid een stoorzender en kon slechts een gelimiteerd aantal gasten de sessies bijwonen. Maar via Facebook verzorgde Monika als resultaat van hun residentie een livestream voor hun omvangrijke netwerk met onder andere een dj-set van DJ Lonely, de kunstenaar Jonas Ohlsson en van Kevin Gray (aka Businessman). Toen concentreerde Smits zich met name op de kunstenaars die wonen en/of werken in Zuidoost, die kunstwerken in bruikleen gaven voor de tentoonstelling “M_M_Artspace – Bijlmer editie”. In de muurschildering van Smits waren de foto’s van de kunstenaars te zien, die ze aan het einde van de presentatie konden meenemen. Monika Dahlberg ontdekte tijdens haar residentie karton als materiaal voor het vervaardigen van sculpturen, als onderdeel van haar poortwachterserie, voor haar een nieuw materiaal om mee te werken. Karton voor circulair gebruik was in overschot te vinden bij een grofvuilophaalplek. Poortwachters of Gatekeepers, als grote en fraaie kleinere sculpturen op sokkels met gezichten en grote, zwarte oren, ogen met simpele vormen als vierkantjes, rondjes en vervaarlijk ogende tandjes. Ze refereren aan iconische beelden van Mickey en Minnie Mouse, schepsels van Walt Disney, die mensen in pretparken willen zien. Dahlberg maakt er mythische wezens van, niet alleen grappige, maar als kritiek op hoe mensen zich als kuddedieren naar zulke benauwende pretparken laten voeren. “Het wordt je opgedrongen en je hoeft niet na te denken waar je naartoe gaat“ betoogt ze in een podcast van Mister Motley.

Mickey Mouse
De animatie- en stripfiguur Mickey Mouse is in veel van Dahlbergs werk te zien, als een kinky type met een antropomorfe muizenkop. Zijn gezicht tekent ze in drie zwarte cirkels. Mickey, een van de meest herkenbare symbolen in de wereld, is voor Monika Dahlberg verbintenis, die een klare duidelijke lijn schept tussen het heden en het verleden. De kunstenaar voegt er iets menselijks aan toe: figuren uit de beeldende kunst, de politiek, voorouderbeelden of uit de hedendaagse beeldcultuur, waarmee ze een toegankelijke beeldtaal creëert die tegelijkertijd vervreemd aandoet. Aldus zijn haar verhalen universeel en herkenbaar voor de internationale toeschouwer, maar blijven ze open voor eigen interpretatie. Dahlberg werkt veel met antropomorfisme. **

Overigens is in de loop der jaren het uiterlijk van de stripfiguur Mickey Mouse nogal gewijzigd, ook zijn karakter. Van een baldadig ventje dat rare streken uithaalt, tot een meer serieus, verstandig en goedaardig buitenbeentje. Mickey, die vaak de juiste oplossing weet in moeilijke situaties. Geheel toegesneden op de kunstenaar zelf. Zelfs het werken met het voor haar nieuwe materiaal, waar ze zich met volle overgave en vastberaden op stortte, voer ik daarop terug (misschien vergezocht). Voor haar een verrassende ervaring om karton als materiaal te leren kennen, te zien hoe het zich gedraagt en wat ze er allemaal mee kan ondernemen. Het opende in haar hoofd nieuwe deuren: karton is op de gehele wereld beschikbaar, dus ze kan zich er overal mee uitdrukken.

Voor haar 2D-collages verzamelt Monika beeldmateriaal in de vorm van fotografie en teksten uit kranten en kunsttijdschriften. De gevonden elementen smelten samen door middel van uitsnedes; de toegevoegde Micky Mouse-oren zorgen voor een iconografische verbintenis. Een rode draad dus in haar werk. Tevens wendt ze het medium film aan om collages te maken. Beeldfragmenten en geluidsopnamen maakt ze met haar telefoon of een kleine draagbare videocamera, die ze tot een twee-minutenfilm deconstrueert en defragmenteert. Vervolgens vormen die weer onderdeel van een langere film, waardoor nieuwe beelden ontstaan. Deze collagefilmtechniek heeft ze uitstekend leren beheersen tijdens haar vele reizen, teneinde op een zo efficiënt mogelijke wijze met haar uitrusting en materiaal om te gaan.

Verder kijken
Al enige jaren werkt Monika Dahlberg aan het bewerken van een leger Afrikaanse beelden, die toeristen vanuit Afrika mee naar huis nemen. Het past in haar onderzoek naar de betekenis ervan. In een kringloopwinkel vond ze het eerste beeld, met geamputeerde lichaamsdelen. Via sociale media vroeg ze geschonden beelden op, die her en der toch overbodig staan te zijn. Naar haar eigen artistieke normen bewerkt ze deze, onder andere door ze wit te schilderen en er zwarte Mickey Mouse-oren aan te bevestigen. Door de witte verflaag werden de nerven zichtbaar, hetgeen een onthand, vervreemdend effect geeft, een beproefde methode. Zo haalde ze de beelden binnen haar eigen universum, en kende ze hun een nieuwe rol toe. Het leverde haar de nodige kritiek op, om op zo’n ”oneerbiedige” wijze met ”Afrikaans cultureel erfgoed” om te gaan. Monika kan er hartelijk om lachen, zoals ze dat in ons gesprek regelmatig doet. Sowieso moet haar kunst wringen, maar men moet er wel met een knipoog naar kunnen kijken. Die gehavende beelden zijn speciaal gemaakt voor toeristen, die denken iets kostbaars te hebben aangeschaft. Maar de kunstenaar wil ze herscheppen om ze aan de maatschappij terug te geven. Ongetwijfeld hebben de Black Lives Matter-protesten haar er ook toe aangezet, een thema dat in haar werk met enige regelmaat komt bovendrijven. In haar jeugd kwam ze al mondjesmaat achter de omvang ervan. Zoals ze zich een bezoek aan een tante in Amsterdam herinnert, toen een medepassagier vanwege haar huidskleur niet naast haar in de tram wilde zitten. Ze ondervond al snel dat ze niet zo maar overal naartoe zou kunnen. Ja, de witte kunstwereld moet veel diverser worden, het is haar zendingsdrang en een belangrijke betekenis die ze als kunstenaar aan het leven wil geven. Logisch dat kritiek op sociale, esthetische en politieke misstanden, al of niet verhuld, gewichtige instrumenten van haar werkwijze zijn, zowel in haar kunst als in haar verschijning op het internet. Inmiddels is het leger Afrikaanse beelden nog steeds groeiende. Op de PaltzBiënnale 2018 in Soest  stond  al een behoorlijk legertje op boomstam-sokkels in gelid opgesteld.

Art Kattendijke
Met André Smits toverde Dahlberg als antikraakwachters een voormalig dorpshuis in het Zeeuwse Kattendijke om tot een levend kunstwerk, het zou jarenlang een broedplaats blijven. Zulke energieke kunstenaars zijn van grote toegevoegde waarde voor het kunstklimaat in Zeeland, dat recent niet aan enige kaalslag is ontkomen. Zo verdween op Walcheren, in cultureel opzicht het bruisende deel van de provincie (gerenommeerde kunstenaars als Marinus Boezem, Piet Dieleman, Guido Lippens en Jan van Munster zijn er woonachtig), een cultureel ankerpunt als het IK-eiland in Oost-Souburg en kregen presentatieplekken als De Vleeshal en het Zeeuws Museum ook het nodige te verduren. Maar het kunstenaarsduo Monika Dahlberg & André Smits dompelde zich onder in het dorpsleven van Kattendijke op Zuid-Beveland, en liet de bewoners weten dat ze in hun dorpshuis altijd welkom zijn. De liefde kwam ook van een andere kant: het duo voelt zich thuis in dat stugge, platte, weidse Zeeuwse landschap, al stel ik me voor dat het wel wennen is aan een dorpsleven, waarin je bij tijd en wijle met de nodige sociale controle wordt geconfronteerd. Trouwens, al eerder zaten ze in een vervallen dijkhuis in Hoek, in Zeeuws-Vlaanderen, maar zo geïsoleerd dat ze er daar geen last van hadden. Bovendien trokken ze eropuit, vooral André, die als Artist-in-the-World tot alle hoeken van de wereld doordringt om kunstenaars in hun atelier te fotograferen. Coronatijd dwong hen een pas op de plaats te maken, hetgeen in Kattendijke tot bijzondere kunstprojecten leidde. Het ontwikkelde zich toen intensief tot een online kunstenaarsinitiatief, dat behoorlijk wat aantrekkingskracht op de kunstwereld verkreeg. Hun centrum van de wereld. Alle ruimtes geheel gevuld met tekeningen van André Smits: een soort ”oergrot” van afdrukken van zijn zwerftochten, die zijn avonturen in steden en ateliers van kunstenaars verbeelden en waar foto’s en beelden van Monika naadloos in passen. In die entourage verzorgden zij tentoonstellingen, happenings, muziekavonden, activiteiten met kinderen, open dagen, plaatjes draaien en namen deel aan dorpsfeesten. Ze creëerden verbondenheid, vanuit een dorpshuis waar veel inwoners goede herinneringen aan dansavonden en voorstellingen hadden. Dit tijdelijke onderkomen moesten ze eind 2021 verruilen voor een minder aanzienlijk huisje in een doodsaaie straat in Goes. Of het daar een nieuwe vrijplaats voor de kunst wordt, valt nog te bezien. Hun kunstenaarsstek in Kattendijke moesten ze vanwege sloop verlaten, edoch het pand bleek een dag na hun verhuizing alweer te huur te staan! Het artistieke duo is toen behoorlijk afgeknapt op de handelwijze van het gemeentebestuur van Goes.

Een stap verder
Al enige tijd bekwaamt Monika Dahlberg zich in beelden voor de openbare ruimte. Een kunstopdracht is geen sinecure. Een heldere en visuele analyse van de locatie kan succesvol worden ingezet om een concreet beeld te ontwerpen. Twee beelden maakte ze in de openbare ruimte. In ’s-Heer Arendskerke, op een steenworp afstand van Kattendijke, in the middle of nowhere, kon ze een reusachtig Afrikaans beeld plaatsen, Cheboo Asis (God van de zon). Een verbeelding van het opperwezen van de Kipsigis-stam in haar geboortedorp Kericho. Geen opdrachtgever kwam er aan te pas. Ze had exact voor ogen hoe het ontwerp in elkaar moest zitten, en slaagde erin inzicht te krijgen in de ruimtelijke karakteristiek en het gebruik van de locatie. Normaliter moet een kunstenaar dat met een degelijke analyse visueel maken, enerzijds om het aan het publiek duidelijk te maken, anderzijds is het de inleiding tot het vormgeven van de kunstopdracht. Een scherpe en to the point beeldende analyse bleek niet nodig. Het ontwerp ontstond uit vrije wil, geen opdrachtgever die iets aan haar ”opdrong”, het was de kunstenaar die zelf, zonder inspraak, de schaal, vorm en kleur, in hun onderlinge samenhang bepaalde. De inwoners “omarmden” het beeld. Beeldtaal naar eigen inzicht toegepast, zonder aan een beoordeling van een ondeskundige commissie ten prooi te vallen. Want daar heeft ze een broertje dood aan, zo bleek uit een uitnodiging voor het ontwerpen van een sculptuur voor een park in Breda. Aan de hand van de voorstellen van drie kunstenaars kregen de inwoners een zwaarwegende stem in de definitieve keuze. De gevolgde procedure bleek haar onduidelijk: de kwaliteiten van de commissieleden, het tijdspad, de exacte plek in het park en hoe de keuze van de inwoners tot stand zou komen. Na ampele overweging besloot ze wel een ontwerp te maken, waar de Bredanaars hun keuze uiteindelijk niet op lieten vallen.

Een van haar Gatekeepers is in 2019 tijdelijk op het Anton de Komplein bij het CBK Zuidoost geplaatst: Kuboko Kumozi Kakinka (Congolees voor sterke man, sterke vrouw). Het zorgde voor een bijzonder vervolg van haar reis in de openbare ruimte. Het Arnhems Museum selecteerde haar voor het ontwerp van een robuust beeld, dat in maart een plaats krijgt in de nieuwe beeldentuin naast het geheel gerenoveerde en verbouwde museum. Drieënhalve meter hoog, in aluminium afgegoten. Het werk is nu gedaan, ze is er drie jaar mee bezig geweest. Een leerzaam proces, dat geheel in haar universum past: geen prijsvraag, overleg met specialisten en wellicht het belangrijkste: een beeld dat blijft en beklijft en dat niet ergens is weggemoffeld. Overigens was Monika Dahlberg in het museale circuit al geen onbekende meer. Zo exposeerde ze in 2017 in het Haags Fotomuseum met een installatie als hommage aan het oeuvre van de eigenzinnige fotograaf Gerard Fieret, een meester in het vastleggen van het alledaagse in de meest bizarre, triviale beelden. Dahlberg verwerkte foto’s van deze markante Haagse kunstenaar op haar geheel eigen, originele wijze in een wandplastiek.

Of zij nu als beeldend kunstenaar met een donkere huidskleur vanuit Afrikaans perspectief, of als Nederlandse op haar kwaliteit als kunstenaar voor een opdracht geselecteerd wordt, die vraag blijft voor mij in een grijs gebied hangen. Welke kunst verwacht men van haar, en welke kaart wordt op de achtergrond getrokken? Monika Dahlberg werkt zelf met een ”dubbele agenda”, zoals zij het zelf formuleert. Ten eerste en het meest gewichtige is dat ze een beeld wil ontwerpen. Daarnaast is ze zich ervan bewust dat ze meeloopt in een proces waarin politici kunnen wijzen op hun betrokkenheid met thema’s als diversiteit, slavernijverleden, gelijkwaardigheid, vrouwelijk perspectief et cetera. Beslissers die zich op de borst kunnen slaan dat ze ”het voor elkaar” hebben, zo men wil een vorm van politieke uitbuiting. Dahlberg onderzoekt in zo’n proces wat haar voordeel is: een groot beeld maken dat in lijn is met haar werk en kenmerkend is voor haar stijl van uitdrukken: “Dit ben ik”.

Inmiddels is Monika Dahlberg alweer op reis naar haar volgende stek, een residentie in Lab Kalkhorst, een kasteel in voormalig Oost-Duitsland. Samen met “de Lancelot uit de kunst”, kunstenaar Joran van Soest, met wie ze vorig jaar meedeed aan een residentie in Berlijn. Zoals ze op Facebook nog snel laat weten gaat ze “er nog even keihard wegbibberen, maar alles voor de kunst bij de buren en werken aan schulturen/( Mo) / schilderen (JS). Waar zij geheel teruggetrokken de menselijke beleving in een ander licht gestellen. En de Locken laten veren op het ritme van ganzen, herten en ander beesten bij een Romantische gevoelstemperatuur van -14 ’s nachts en +4 overdag”. Op weg naar nieuwe tentoonstellingen in 2022”, om te beginnen met “we are semi-free”, een duo-presentatie met E. van Dam bij Sundaywonders (17 januari tot en met 3 maart 2022). Info via www.sundaywonders.com

Ga of blijf Monika Dahlberg volgen.

*
Deelnemende kunstenaars:
Boris van Berkum, Katrin Korfmann, Wes Mapes, Joanneke Meester, Nieuw Jurk (Esther Meijer), Martin en Inge Riebeek, Andrea Stultiens (in samenwerking met Esther Kamala en Abu Kanu), Samuel Sarmiento, André Smits & Monika Dahlberg.
Nog tot en met 26 februari 2022.
Locatie: CBK Zuidoost, Anton de Komplein 120, Amsterdam

**
[het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke wezens, het tonen of behandelen van dieren, goden en voorwerpen alsof ze qua karakter of gedrag menselijk zijn; antromorfisme is een samenstelling van de Griekse woorden anthropos (mens) en morphe (gedaante)].

Voor dit verhaal grasduinde ik op social media naar werk en berichten en putte ik het nodige uit het gesprek met Monika Dahlberg op 22 december 2021 en haar reacties op de tekst. Voorts raadpleegde ik artikelen uit kranten en tijdschriften waaronder:
Thijs Wolzak, ‘Binnenkijken in een zo leeg mogelijk huis’, rubriek Binnenkijken in NRC, 6 februari 2016
Roos Menkhorst, ‘Kunst in Kattendijke: “Ze omarmen die gekke beelden van mij hier wel”’ in Trouw, 9 augustus 2020
Arie Westeneng, ‘Onze broedplaats gaat tegen de vlakte, maar we willen dolgraag in Zeeland blijven!’ in Provinciale Zeeuwse Courant, 4 november 2021
Ten slotte beluisterde ik de podcast Kunst is Lang van Mister Motley, Luuk Heezen met Monika Dahlberg, juni 2021.

Hans Eijkelboom en Sedje Hémon op Documenta 14 in Athene en Kassel



Sedje Hémon, ‘Embrasse en vain’, 1963, 33 x 75 cm (lo)
Hans Eijkelboom, uit ‘Dagboek/Diary 1992-2007’ (ro)

Voor het eerst vindt de Documenta plaats op twee locaties: traditiegetrouw in Kassel, dit jaar tevens in het straatarme Griekenland, in Athene. Het hoge politieke en activistische gehalte van deze Documenta wordt meteen al zichtbaar in de catalogus, die leest als een dagboek van het verleden. Hiervoor selecteerden de deelnemende kunstenaars een datum met een gebeurtenis, waar zij persoonlijk en politiek gezien een bijzondere betekenis aan hechten. Een foto daarvan lieten de deelnemende kunstenaars bij de beschrijving van hun werk plaatsen. Hans Eijkelboom, een van de Nederlandse kunstenaars op deze Documenta, koos voor 8 juni 1968, de dag dat het lijk van de vermoorde presidentskandidaat Robert Kennedy per trein van New York naar Washington DC werd vervoerd. Fotojournalist Paul Fusco reed mee en fotografeerde de toegestroomde mensen langs het spoor, die Kennedy de laatste eer bewezen. We zien een dwarsdoorsnede van het Amerikaanse volk: arm en rijk, zwart en blank, in korte en lange broek, met ontbloot bovenlichaam, in gestreepte en egale overhemden, zoals de door Eijkelboom uitgekozen foto van Paul Fusco toont. Fusco’s beelden van de RFK Funeral Train laten de ontreddering van het Amerikaanse volk zien, en hun toewijding aan de familie Kennedy, die in de jaren zestig stond voor hoop op een betere toekomst. Voor Hans Eijkelboom een dag waarop hoop omsloeg in wanhoop. (meer…)

Could it be Rosemin Hendriks?

20 13. 2014 42x29,7 cm
2010  108×140 cm particuliere collectie (l)
2014  42×29,7 cm (r)

Arnhem. Met veel goede kunstenaars uit die stad heb ik gewerkt en, niet onbelangrijk, de Morellen hebben er hun roots liggen. Ze hadden een interieurzaak aan het Nieuwe Plein. Naar een logeerpartij in Arnhem keek ik altijd uit. Mijn peettante, een belezen lerares Frans, sleepte me al vroeg mee naar het Kröller-Müller Museum, waar mijn interesse voor kunst ontlook. En naar het naburige park Sonsbeek waar ik me kon uitleven bij de waterval. Die vijver daar ben ik nog eens ingetuimeld. Op een steenworp afstand van Sonsbeek woont en werkt de kunstenaar Rosemin Hendriks (1968), alom bewonderd en gerespecteerd vanwege haar secuur getekende portrettekeningen, opgebouwd uit klare lijnen, in zwart, wit en grijs. Zonder franje. Meestal op een kolossaal formaat, waarop elementen van het gelaat tot in kleine details zichtbaar zijn. In de regel zijn het zelfportretten, die zij volgens een vast stramien in nieuwe, krachtige personages omzet. Ze doen aan close-ups denken, die nadrukkelijk geen zelfportretten willen zijn, maar op zichzelf staan en daardoor qua sfeer en stemming een grote variëteit van uitdrukken bereiken. Momenteel heeft de kunstenaar in Museum MORE in Gorssel een uitmuntende expositie, Could it be Me, een overzicht van haar tekeningen vanaf 1994. (meer…)