Michiel Morel

In het hoofd van…

Bonies: van industrieel ontwerpen naar vrij kunstenaar (periode 1960 – 1963) (2)

| 2 Comments

Share


Gouache, 1961 (49×68,5), collectie Haags Gemeentemuseum

Welke richting hij in de kunst wilde inslaan, wist Bonies nog niet, toen hij begin 1960 uit Zweden terugkeerde. Als speciell elev had hij zijn studie aan de Högre Konstindustriëlla Skolan met goed gevolg afgerond. In Zweden bestaat sinds jaar en dag een levendige traditie in ‘hemslöjd’, waarbij artikelen met de hand, veelal aan huis worden vervaardigd. Bij menige Zweed is thuis een weefgetouw te vinden. Door de jaren heen zijn typisch Scandinavische producten als glas, keramiek, meubelen en kleden op grote schaal en volgens de nieuwste moderne ontwikkelingen, industrieel geproduceerd. Binnen deze traditie is Bonies in Zweden geschoold in het industrieel ontwerpen, met name in het materiaalgebruik, de verwerking, en toepassingsmethoden. Hij heeft er nooit enige twijfel over laten bestaan dat zijn opleiding aan de Högre Konstindustriëlla Skolan van grote betekenis is geweest. Bonies’ keuze om industrieel vormgever te worden, waar hij een bestaan in zou kunnen vinden, lag enigszins voor de hand. Bovendien was hij van vele markten thuis, niet alleen als schilder, tekenaar en beeldhouwer, ook had hij ervaring opgedaan met kunstopdrachten. Maar het succes van zijn afscheidstentoonstelling bij galerie Observatorium, waar al zijn werk door een verzamelaar werd gekocht, bezorgde hem ook een stimulans om zich als vrij kunstenaar te vestigen. In een interview in een Zweedse krant had hij zich laten ontvallen, dat hij plannen had om naar de Verenigde Staten te emigreren, waar hij zich zou kunnen verdiepen in de omgang met nieuwe materialen, zoals aluminium, polyester en fiberglas. Aldus bleef zijn toekomst nog wat onbeslist. In ieder geval zullen zijn ouders blij zijn geweest hun zoon weer in de buurt te hebben, immers zijn plotselinge en nooit aangekondigde tocht naar Zweden, een aantal jaren eerder, had toch voor een kleine revolutie in huize Nieuwenhuis gezorgd.


Gouache, 1961 (l)
Schilderij 1960 (particuliere collectie) (r)

In Den Haag trof Bonies een mix van kunststromingen en -stijlen aan: realisten, figuratief en expressief werkenden én abstract werkende kunstenaars, die bij tijd en wijle de strijd met elkaar aangingen, maar over het algemeen goed naast en met elkaar door één deur konden. ‘Den Haag heeft een opgewekt kunstleven. In het bijzonder is dit wel te danken aan een gevoel van saamhorigheid, dat – alle aan het kunstleven inherente onderlinge naijver en strubbelingen ten spijt – leeft in de kringen der kunstenaar, evenals in de kringen van de officiële en particuliere kunstbevorderaars, welken laatsten zich ook kennelijk met de kunstenaars verbonden voelen’, zo beknopt schetste de toen gezaghebbende kunstcriticus Cees Doelman in 1960 de Haagse kunst in de Ooievaarpocket Keuze. Doelman voerde een gedifferentieerd gezelschap van 52 uiteenlopende artistieke persoonlijkheden ten tonele, die de Haagse kunst kleur gaven: schilders, beeldhouwers en grafici, zowel abstracten als figuratieven, met als belangrijksten: Paul Citroen, Lotti van der Gaag, Willem Hussem, Toon Kelder, Jaap Nanninga, Co Westerik, Rein Draijer en Willem Schrofer.


Willem Schrofer, Compositie, olieverf op doek, 1943-1935 (l)
Toon Kelder, Winters uitzicht uit atelier, zonder jaartal (r)

De laatste twee waren toonaangevende docenten op de Haagse Academie. Schrofer had in de jaren dertig reeds constructivistisch werk gemaakt en pal na de oorlog schilderijen met ritmische patronen van rechte en gebogen lijnen laten zien. De meesten waren lid van Pulchri Studio, het aloude en dominante  kunstenaarsgezelschap met expositieruimten van museale allure. Andere toen opkomende, jonge kunstenaars als Kees van Bohemen, die al op informele wijze schilderde en regelmatig in Parijs vertoefde, de zich snel profilerende Jan Cremer en meer avant-gardekunstenaars als Joost Baljeu, Gerard Verdijk, Peter Struycken en Bonies zelf, ontbraken in Keuze. Het experiment kreeg in Den Haag ook maar bescheiden ruimte. Kennelijk hadden de jongere kunstenaars weinig binding met dat doorsnee ‘opgewekte’ kunstleven in Den Haag. Wellicht waren ze ook internationaler georiënteerd. Bonies had in 1957 al vanuit het koude Zweden enige maanden in Madrid overwinterd, waar hij in het Prado het werk van Goya, El Greco en Velasquez zag. Wat hem daar vooral boeide waren de kunststudenten die er op hun ezels iconische werken zaten na te schilderen. Bonies en Cremer hadden al menigmaal Parijs bezocht, op bezoek in de befaamde Rue Santeuil, waar een kunstenaarskolonie met onder anderen Lotti van de Gaag en Kees van Bohemen zetelde. Nationaal gezien speelde de kunst in Den Haag nauwelijks een rol, laat staan internationaal. In het Haagse Gemeentemuseum zwaaide Louis Wijsenbeek de scepter, die sinds zijn aantreden in 1952 aan de internationale moderne kunst prioriteit gaf. Op gezette tijden organiseerde hij ook overzichtstentoonstellingen met Haagse kunstenaars. Maar bovenal besteedde hij aandacht aan de Mondriaancollectie van de Larense verzamelaar Sal Slijper, wiens collectie in de grote Mondriaantentoonstelling van 1955 een aanzienlijke rol kreeg toebedeeld. De meest progressieve instelling in Den Haag was de Vrije Academie, waar individualiteit en persoonlijke expressie hoog in het vaandel stonden. Livinus van de Bundt overschreed er de grenzen tussen beeldende kunst en theater en introduceerde er andere kunstvormen, later samen met George Lampe.


Buitenexpositie  Noordeinde 114, Den Haag, 1960 (l)
Beelden, 1960 (m & r)

Terug in Nederland bleef Bonies woonachtig op zijn oude adres aan de Prinsenweg in Wassenaar. In Den Haag huurde hij een atelier bij de kunstenaar Marc Pollée aan de Kranestraat, en een opslagruimte op een zolder, boven het atelier van Jan Cremer in een pakhuis in het Annastraatje achter ‘t Goude Hooft. Via een luik in Cremers atelier kon hij die ruimte in de nok bereiken. Bonies’ oudere broer moest nog wel eens bijspringen in het voldoen van de huur. De ruime verdieping van Jan Cremer zelf, zou als environment een rol spelen in de publiciteit rond zijn persoon. Cremer, 18 jaar oud, was eind 1958 als leerling op de Vrije Academie neergestreken, waar hij al snel assistent van Willem Hussem werd, die zijn atelier in een voormalig badhuis in de Schilderswijk had. Vrijwel meteen na zijn terugkomst in Den Haag werd Bonies genomineerd voor de Jeugdprijs van de Jacob Marisstichting. Hiervoor had hij als beeldhouwer, nog onder de naam Bob Nieuwenhuis, twee robuuste beelden ingezonden: een primitief aandoend zwarte houten torso, uit één stuk hout vervaardigd (fl. 750,-) en een loodzware sculptuur van beton ‘Vliegbeest’ (fl. 1500,-, de duurste van alle inzendingen). De jury, met in haar midden de beeldhouwer Wessel Couzijn, reageerde echter zeer negatief op alle inzendingen. In haar rapportage legde zij vast dat de jonge beeldhouwers nauwelijks iets presteerden en dat er in de toekomst niet veel van hen te verwachten viel. Bonies verrichtte toen zijn eerste activistische daad door met vier andere jonge beeldhouwers – André Bartels, Jef van Leeuwen, Rien Maat en Mieke Nass – op klaarlichte dag hun beelden uit de tentoonstelling in het Gemeentemuseum terug te halen. Op een kar werden die naar de binnentuin van het hofje aan het Noordeinde 114 gereden, waar Jef van Leeuwen woonde, alwaar ze ruim twee weken geëxposeerd werden. De Jacob Marisstichting ontving een pissig schrijven van de vijf beeldhouwers, waarin zij aangaven dat ze de bedoeling van deze Jeugd-Jacob Marisprijs niet begrepen, aangezien ‘deze pretendeert de jeugd te stimuleren, terwijl, wanneer officieel beweerd wordt, dat het werk van deze jeugd totaal niets belooft voor de toekomst, dit wel het tegengestelde van een stimulans te noemen is, daar wij veilig aan kunnen nemen, dat dit impliceert, dat wij beter op andere wijze emplooi kunnen zoeken’. In deze actie, een ‘Buitenexpositie van jonge Haagsche beeldhouwers’, wijst de pijl van Bonies’ activistische instelling al vooruit.


Beeld BUB BEL GUM op het Tournooiveld, aug 1963 (l)
Reliëf met fiberglas, ca 1964 (r)

Voor Haagse kunstenaars begon de werkdag gewoonlijk met koffie in de Wiener of Tocci’s Milkbar, toen de locatie voor de ‘modieus geklede, blasé Haagse jongeren’. Daarna ging iedereen in zijn atelier aan de slag. Tegen vijven toog men voor een borrel naar bodega De Posthoorn, van oudsher het établissement waar advocaten en journalisten, schrijvers en dichters, acteurs en beeldend kunstenaars elkaar troffen. Aan de ‘schilderstafel’, met aan het hoofd de ‘vaderfiguren van de abstracte kunst’ Jaap Nanninga (door Bonies getypeerd als een ‘clownesk figuur met zijn orgeltje’) en dichter-schilder Willem Hussem, werd over kunst gediscussieerd. Hussem  maakte in de jaren vijftig al furore met vrij en open werk, voorzien van spraakmakende aluminium lijsten. Bonies was in De Posthoorn niet dikwijls te vinden, des te meer in het illustere  De Sport aan de Kazernestraat, de ontmoetingsplek voor de jongere garde.

Om aandacht voor hun werk te krijgen, groepten de meeste Haagse kunstenaars samen in Pulchri Studio en de Haagse Kunstkring. Ook waren er kortstondige groepen als het gematigd modernistische Verve (1951-1956), dat uit figuratief werkende schilders en beeldhouwers bestond, veelal georiënteerd op de ‘bell peinture’ in Parijs en dankzij het propagandatalent Jan van Heel – Bonies zou het later goed met hem kunnen vinden – ook landelijk aandacht kreeg. Of Fugare, in 1960 opgericht door George Lampe, uit verzet tegen ‘de steeds grotere rol die het toeval speelt in het tot stand komen van werken van beeldende kunst’, die dikwijls ontaardden in een gemakzuchtig super-naturalisme. De Fugarekunstenaars, onder anderen Willem Hussem en Theo Bitter, werkten abstract, abstraherend of experimenteel. En dan was er nog de groep Atol (1959-1962), waar Bonies’ stadsgenoten Hans van der Lek en Gerard Verdijk lid van waren, die in een eenzelfde trant werkte. Van Fugare en Atol, en helemaal van Pulchri, hield Bonies zich afzijdig. Naar zijn opvatting leek het alsof er in Den Haag bij zijn terugkomst uit Zweden nauwelijks enige ontwikkeling had plaatsgevonden. ‘Ik denk hierbij aan Pulchri e.d.,…..Nee, het was vooral in Den Haag een vastgeroeste toestand’, zou hij er enkele jaren later over zeggen. Bonies’ vroege objecten van kunststof en aluminium werden er niet als kunst geaccepteerd. Wat helder, direct, meetbaar, hanteerbaar was in de kunst, gold als taboe, en werd naar zijn zeggen afgedaan als emotieloos, design en on-kunst. Kunstenaars vertrokken ook naar het buitenland:  Hans van der Lek, Jan Cremer en Kees van Bohemen, of naar een andere stad in Nederland: Peter Struycken en Rob van Koningsbruggen, die net als Bonies in hun werk wilden reduceren. ‘Den Haag heeft belangrijke kunstenaars voortgebracht. Maar vaak zag je dat aan die kunstenaars op dat moment nauwelijks aandacht werd besteed. Steeds was er die beslotenheid van het sociëteitsleven van Pulchri en de Haagse Kunstkring. Daarbuiten waren weinig impulsen. Dankzij de particuliere verzamelaars stelde Den Haag nog wat voor, maar die kochten dan ook meestal Haagse kunst’, zo keek Struycken in 1988 terug op het Haagse kunstleven van begin jaren zestig. De jonge kunstenaars die een radicale abstracte kunst voorstonden en weinig op hadden met het vertolken van het expressieve en emotionele, werden opgepikt door Frits Becht, kunstverzamelaar en ondernemer die galerie De Posthoorn bestierde: Bonies en Baljeu met hun ‘koele’ stijlmiddelen, Cremer en Armando met hun monochrome schilderijen. Volgens Wim Beeren, toen conservator in het Gemeentemuseum, kregen zo ‘de informele en abstracte tendensen een antwoord op de neurose van de werkelijkheidservaring van de realisten’.


Hangend reliëf, 1960 (l)
Reliëf met fiberglas, ca 1964 (r)

Vanaf 1961 stijgt Bonies’ aanwezigheid in tentoonstellingen vrij explosief, te beginnen bij galerie De Posthoorn in 1961 en 1962. Zijn geëxposeerde non-figuratieve reliëfs en plastieken hebben vormen van vegetatie zoals bladgeraamten of van rotswanden die door slijtprocessen en de inwerking van water fantastische vormen kregen. De door gaten en oneffenheden doorbroken vlakken in de reliëfs gaven eveneens de indruk te zijn ontstaan uit een speling van de natuur, ongeveer zoals we opnames van het maanoppervlak kennen. Ze zijn gemaakt uit een op hoge temperatuur gebakken terracotta. Over de reliëfs en plastieken, die in de plaatselijke pers omschreven werden als ‘knobbelig oneffen en de indruk wekken van grillige stronken of uitbottende knolgewassen’, zei Bonies, dat ze wellicht lijken op vulkanische erupties, maar dat hij dat pas zag nadat hij de werken vervaardigd had. De vormen in de gouaches zijn ook weinig definieerbaar. Ze roepen met hun bijzondere kleurwerking tevens gedachten op aan onherbergzame landschappen. De felrode kleuren die Bonies gebruikt verhouden zich goed tot wit-grijze en blauwe nuances, terwijl zwarte vormen en contouren voor een dramatisch effect zorgen. Een legertje recensenten, de bekendste waren R.E. Penning (Haagsche Courant), G. Oudshoorn (Haagsch Dagblad) en Dolf Welling (Rotterdams Nieuwsblad), besteedde in hun kranten relatief veel aandacht aan Bonies’ werk. Een van de critici ontwaarde in de gouaches een ‘zwoel sentiment dat, wonderlijk genoeg, niet afstoot, maar het werk juist een kracht en spanning verleent’. Bonies zelf hield zich op de vlakte en wilde er slechts over kwijt dat hij deze van binnenuit schept, uitgaande van een ‘boeiende’ wereld. Overbodig om te zeggen, maar in de werken van Bonies moest men geen citaten uit de natuur zoeken. Ook in zijn oudere werk heeft hij zich altijd al verzet tegen dingen die aan de zichtbare werkelijkheid doen herinneren, omdat dit de zelfstandigheid van het ‘ding’ aantast.



Gouache, 1961, (49×68,5) (b)
Linoleumdruk, 1964 (lo)
Llinoleumdruk, 1964 (ro)
(Alledrie collectie Haags Gemeentemuseum)

Op een van de tentoonstellingen in de Posthoorn kocht de Gemeentelijke Commissie  voor Kunstopdrachten twee gouaches aan voor de prijs van fl. 250,- per stuk. Verschillende gouaches die Bonies in de periode tussen 1961 en 1964 vervaardigde, zouden later door het Instituut Collectie Nederland worden aangekocht. Als je zijn schilderwerk in opeenvolgende jaren bekijkt, dan zie je vanaf 1960 eerst onrustige, ietwat grillige kleurvlakken. Om die wat te temperen, voegde Bonies er vervolgens zwart aan toe, wat de composities minder uitbundig  maakte. Later werden de grotere kleurvelden waziger en zijn het tot vormen met afgeronde hoeken verworden. In de collectie van het Haags Gemeentemuseum – bijvoorbeeld de linosneden – is te zien dat de hoeveelheid kleurnuances verminderd is, en het werk in 1964 in rustiger vaarwater is gekomen. In 1965 zal Bonies dan consequent kiezen voor het gebruik van primaire kleuren en geometrische vormen, als vaste onderdelen in zijn werk.


Aankondiging expositie bij galerie Kartina A’dam met Lambert Werner, 1961

De eerste expositie in 1961 waarin Bonies in Nederland buiten Den Haag was vertegenwoordigd, vond in het Stedelijk Museum Amsterdam plaats, een gasttentoonstelling onder auspiciën van de stichting Liga Nieuw Beelden. De Liga zette zich in voor een synthese in de samenwerking tussen kunstenaars en architecten. Het slechten van de muur tussen beeldend kunstenaars en architecten, om daarmee een kloof tussen kunst en maatschappij te overbruggen, zou Bonies in verdere jaren na aan het hart zal liggen, hij was zelfs enige tijd bestuurslid van de Stichting Nieuw Beelden. Onder de 55 kunstenaars die eraan deelnamen, bevond zich slechts een viertal uit de Haagse regio: Bonies met drie schilderingen, Jan Cremer en Aat Verhoog, beiden met twee schilderijen, en Gerard Verdijk met vier tekeningen. Juist in deze periode lijkt het werk van Verdijk enigszins overeen te komen met dat van Bonies. Althans volgens de gezaghebbende criticus Dolf Welling, die enthousiast liet optekenen dat beiden ‘abstracties uit mooie vlekken, kostelijk gestructureerde partijen componeerden’. In ieder geval koesterde Bonies in zijn werken een grote voorliefde voor rood, blauw en grijs. Ongeveer tegelijkertijd, van 16 september tot 15 oktober, was Bonies, samen met zijn Zweedse vriend en collega Lambert Werner, in Amsterdam present bij Kunstzaal Kartina: Bonies met plastieken en gouaches, Werner met schilderijen. Op de uitnodiging van Kartina staat een reliëf van Bonies in terre cuite afgebeeld dat op een maanlandschap lijkt. Hun schilderwerken toonden qua kleurgebruik zeker enige verwantschap, Bonies’ composities oogden echter geordender, die van Werner trager, omdat hij er zand en fijne sintels aan had toegevoegd. Deze expositie wierp voor Bonies zijn vruchten af. Via Kunstzaal Kartina kwam hij in 1963 in de stal terecht van de Londense galerie Molton, die toen geleid werd door Annely Juda. Onder haar eigen naam zou zij later een galerie leiden die zich specialiseerde in het werk van Russische constructivisten als Malevich en Lissitzky.


In Wassenaar bij Kunstzaal Heuff

Ook in Wassenaar kreeg Bonies in 1961 een podium, in de zomer bij Kunstzaal Heuff. Volgens de plaatselijke krant bracht hij hier ‘van zijn imaginaire ruimtevaart versteende organismen uit een onbekende fauna mee’. In zijn reliëfs liet de kunstenaar wel een plastische logica gelden, waarmee die ‘boven de modieuze verschroeide aarde-romantiek uitkomt’. Deze beelden kenmerkten zich door primitieve vormen, de connectie met het constructivisme was in deze beelden nog ver weg. Wassenaar was een conservatief VVD-bolwerk, dat weinig interesse voor kunst aan de dag legde. Van Bonies is er geen enkel kunstwerk in de openbare ruimte te vinden. En ofschoon hij er één opdracht voor het plaatselijke energiebedrijf kreeg, was hij als jonge kunstenaar met zijn werk wel een vreemde eend in de bijt, tussen oudere en behoudende portretschilders als Paul Citroen en Sierk Schröder. De laatste was ook nog eens lange tijd adviseur van het College van B&W. Dat Bonies enkele jaren later, onder de vlag van de toen activistische BBK in Wassenaar een plaatselijke afdeling oprichtte, zal ook niet in zijn voordeel hebben meegespeeld.

Begin jaren zestig roerde Bonies zich vooral ook in Den Haag. Met Jan Cremer en Ardy Strüwer ‘lonkte hij naar de balletdanseressen van het Nederlands Danstheater’, die hun repetitieruimten aan de Koningstraat hadden. Bob woonde enige tijd samen met een van hen, Irène de Vos, een goede vriendin van een andere bekende danseres, Agnes, de latere vrouw van Frits Becht. In Wassenaar woonde ook het links intellectuele gezin Schuitema. Paul Schuitema was in kunstkringen alom gerespecteerd als filmer, maar vooral als grafisch ontwerper en docent aan de ABK in Den Haag, samen met Piet Zwart: de mannen van de Nieuwe Typografie. Bonies kreeg Schuitema’s dochter Hanneke serieus in het vizier bij de Zuid-Hollandse beeldhouwgroep, die in de voormalige Wassenaarse dierentuin een expositie had. Hanneke Schuitema was bedreven in keramiek, ze had op de ABK al aan ‘kleien’ gedaan en enige tijd in de potterij van Zaalberg gewerkt. Zij wilde haar vleugels uitslaan, reizen en had weinig zin om in Nederland te blijven. Evenals Bob wilde ze naar de Verenigde Staten, waar haar ouders diverse kennissen hadden, bij wie ze wel onderdak kon krijgen. Dat lukte haar bij Barbara Rodbell, een nicht van Paul Citroen. Zij zou Bonies’ sponsor worden, dat was nodig om een tijdelijke verblijfsvergunning in de VS te krijgen. Zo ging Bonies’ lang gekoesterde wens in vervulling en kon hij de oversteek wagen, om er een leven als kunstenaar op te bouwen. Dat was op dat moment zijn insteek. In april 1962 reisde Hanneke hem vooruit op het schip de Grote Beer. Bob arriveerde enige tijd later in New York met een lading kwasten en een map vol gouaches. In Washington bewoonden Hanneke en Bob bij de familie Martin en Barbara Rodbell een kamer, waar Bob zelfs kon schilderen. Hij kreeg er connecties met galeries, die genegen waren zijn gouaches in consignatie te nemen. En de Rodbells organiseerden in hun huis een presentatie van zijn werk, wat in Amerika voor bevriende kunstenaars common sense was. Kort nadat Bonies in de VS arriveerde, raakte Hanneke prompt zwanger, waarop ze besloten maar te trouwen, hetgeen in Bethesda (Maryland) geschiedde. Zonder zijn vrouw reisde hij naar North Carolina, waar hij drie maanden aan het Black Mountain College kon schilderen, volgens Bonies qua opzet te vergelijken met de Vrije Academie, ofschoon het meerdere disciplines kende. Het resulteerde in maart 1963 in een tentoonstelling in Asheville, op het Mars Hill College, waar hij zijn lyrisch-abstracte gouaches en schilderingen in gewassen grijstinten op papier toonde, die landschappelijke associaties opriepen. Uit een krantenrecensie blijkt dat op die werken ‘zee-achtige’ lichamen in patronen waren gerangschikt, waarop ook delen onbewerkt waren gebleven. Zeker onder invloed van het werk van Morris Louis en Kenneth Noland, beiden Color-field painters, wier werk hij al snel in de VS had leren kennen. Zij hanteerden een techniek waarbij de verf sterk verdund op het doek werd aangebracht, en zo het canvas in werd gezogen. Verf en ondergrond voegden zich aldus tot een eenheid, waardoor de verf een soort transparante kwaliteit vertoonde. Bewust lieten ze delen van het canvas ongemoeid, waardoor een open ruimte werd gesuggereerd, die even belangrijk was in de compositie als de beschilderde delen.


Presentatie bij fam. Rodbell,  Chevy Chase,  1962

Na hun verblijf in de VS trokken Bob en Hanneke verder, in een gammele auto naar Canada, waar zij via hun Zweedse connecties ook contacten hadden. In de buurt van de Niagara Falls verloren ze nog een portier, dat met touwtjes op zijn plek moest worden vastgebonden. Zijn kwasten sjouwde Bonies overal in een koffer met zich mee. Hij is er nog als een ‘kwaaie aap’ tekeer gegaan, toen iemand in de auto inbrak en op zijn kwasten uit was. Van Bonies mocht je veel stelen, maar van zijn kwasten moest je afblijven. Een goedkope kamer in Montreal werd hun onderkomen. Met de opkomst van onder meer de Popart was het een levendige tijd. Bonies legde snel contact met een groep jongeren die met goutilleerd gereedschap workshops verzorgden, zo kon hij met plastics, polyester en fiberglas aan de gang. Als assistent werkte hij mee aan kunstopdrachten in de openbare ruimte, die uit polyester werden gemaakt. En verder deed hij er alles voor de kunst, legde contacten in de galeriewereld en ging op stap met Zweedse vrienden. De winter van 1962/63 was extreem koud, de sneeuw lag er metershoog. Hanneke was inmiddels vier maanden zwanger. Terwijl Bob zich in de kunst had ingegraven, vloog zij in die donkere dagen tegen de muren op. Het slot van het liedje was dat Hanneke in haar uppie  terugreisde naar Nederland. Na zijn expositie in de Penthouse Gallery in Montreal, ook in maart 1963, boekte Bonies zijn terugreis naar Nederland. Al spoedig stond hij op De Lus in Wassenaar bij Hanneke met een bosje bloemen voor de deur. Ze zouden bijna vier jaar daar op de zolderetage bij de Schuitema’s wonen, hun eerste kind Mirjam werd er in het voorjaar van 1963 geboren. Bonies kon er schilderen, en in een schuur in de grote tuin kon hij aan zijn driedimensionale kunstwerken van aluminium, plexiglas, fiberglas en glasvezels werken. Zijn schoonvader werkte er in zijn eigen atelier, achter in de tuin.


Bob, Hanneke en Mirjam, 1963 (l)
Grafische ontwerpen van Paul Schuitema (r)

Met een pak gouaches onder zijn arm reisde Bonies in 1963 naar Amsterdam, om zich daar door de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, waaronder de Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars (BBK) toen functioneerde, te laten balloteren. Als lid van de BBK kon hij zo van de toenmalige Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) gebruikmaken en in zijn inkomsten voorzien. De BKR voorzag in een uitkering – een vergoeding wegens het ontbreken van verkoop en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud – van één jaar, minus 13 weken, die weer door het Voorzieningsfonds werden aangevuld. Omdat de gemeente Wassenaar  de BKR niet kon uitvoeren, er woonden te weinig kunstenaars om er een heel apparaat voor op te tuigen, verhuisde Bonies voor enige tijd op papier naar de Vlierboomstraat in Den Haag, waar een zus van zijn moeder woonde. Hier richtte hij een kabinetje in met zijn werk, zodat hij de controlerende Haagse ambtenaren van de BKR het bewijs van zijn professionaliteit kon leveren. Zijn kleurrijke gouaches zouden die jaren gretig aftrek vinden bij de Haagse BKR-commissie, en voor een deel hun weg naar de gemeente Wassenaar vinden. Jaren later zou Bonies als vertegenwoordiger van de BBK zelf deel uitmaken van de Haagse BKR-commissie. Maar toen kon hij al in zijn eigen onderhoud voorzien. Met verve heeft hij toen kunstenaars verdedigd die ‘nieuw’ werk voor de BKR inzonden. Als voorbeeld noemt hij met name de kunstenaar Rinus van den Bosch, ‘een waarnemer bij uitstek’, die naast zijn tekeningen ook monumentale portretschilderijen inleverde, waar de BKR-commissie blijkbaar minder op gesteld was.

Ondertussen exposeerde Bonies in Den Haag ook bij vooruitstrevende galeries als Orez en Al-Veka, samen met geestverwanten als Alfred Eikelenboom, die jaren later furore zou maken met zijn Utopian Models, en met Ray Staakman, toen bekend om zijn kinetische werk. Opmerkelijk in die periode waren enkele tentoonstellingen die Bonies samen met de flamboyante kunstenaar Pieter van Goudzwaard organiseerde, onder andere in 1961 en 1963 in de vooruitstrevende expositieruimte van de mensa van de Technische Universiteit in Delft. Opvallend waren de naturalistische titels waarmee Bonies zijn voorstellingloze gouaches voorzag: ‘Breekbaar door sneeuwval’, ‘Verticaal groeisel’, ‘Zomergletsjer’ of ‘Long Island Beach’.  Bonies omschreef ze zelf als ‘eenvoudig steengroeisel’. Van Goudzwaard schilderde non-figuratief, surreëel aandoende werken op een fors formaat van 2×2 meter, vaak met een ruwe verftechniek en met veel gebruik van zwarten, blauwen en bruinen, waardoor lichtere kleuren helder konden opgloeien. In de jaren zeventig veranderde Van Goudzwaard in een outcast, die zich extravagant kleedde. Alias Peter van Goldsword verplaatste hij zich op zijn goudgeverfde fiets door Den Haag, met lang zwartgeverfd haar, voorzien van een bedrukte haarband, oorbellen, roodgestifte lippen, lange gelakte nagels en hoge hakken.

Voor deze aflevering heb ik de archieven geraadpleegd van de kunstenaar, het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis RKD en het Haags Gemeentemuseum. Voorts heb ik gesprekken gevoerd met de kunstenaar en personen die mij meer over deze periode konden verhalen. Ik raadpleegde met name de volgende literatuur, waaruit ik ook citeerde:

  • Doelman, Keuze. Een keus uit het werk van Haagse beeldende kunstenaars. Den Haag: Bert Bakker/Daamen, 1960
  • Hans Paalman, Signalement van Bonies. Museumjournaal, serie 13, nr. 6, juni 1968, p. 300-313
  • Marianne Brouwer, Interview met Bonies, in: Bob Bonies. Eindhoven: Stedelijk Van Abbemuseum, 1981
  • Wim Beeren, R.W.D. Oxenaar & Freddy De Vree, Jan Cremer. Schilder 55–88. ’s-Gravenhage: SDU, 1988
  • Juuf van Ballegoijen de Jong, Interview met Peter Struycken in Beelding, 1988 jrg. 2, nr. 1
  • Ingrid van Santen & Dolf Welling (bijdr.), Haagse Kopstukken 1961-1992. 2 x 28 Haagse zelfportretten. Uitgave: Artoteek Den Haag, 1992
  • Jeanette van der Velde, Bob Bonies. Concreet Constructivist in denken en doen. Masterscriptie Universiteit Leiden, Beeldende Kunst 1800 – heden, 2009
  • Hans Janssen (red.), TIQ. Happy Days. Den Haag 1947-1967.September 2012, nr.15

2 Comments

  1. Heel goed Michiel! Lees je onderzoek naar Bonies (maar ook de andere stukken) met grote interesse.

Geef een reactie

Required fields are marked *.