Michiel Morel

In het hoofd van…

Bonies en de Vrije Academie, 1988 – 2001 (9)

| 2 Comments

Share


Bob Bonies in zijn atelier 2002, (foto Gilles van Niel © Heden)

Naar voorbeeld van de Académie Libre (Académie de la Grande Chaumière), een opleiding met een open karakter in Parijs, richtte Livinus van de Bundt in 1947 de Vrije Academie op, Werkplaats voor Beeldende Kunsten in Den Haag. De Vrije Academie ontstond als alternatief voor de reguliere academies, waar studenten aan de hand van schoolse leerplannen een einddiploma konden halen, waarmee zij zich kunstenaar konden noemen. Kunstenaars met een lage vooropleiding, zoals Bonies, konden geen reguliere vakopleiding volgen. Een dergelijke generale leerroute om in een aantal jaren beeldend kunstenaars te kweken, leek Livinus – als kunstenaar hanteerde hij zijn voornaam – niet mogelijk. Hij was ervan overtuigd dat een integrale vakopleiding zoals de Vrije Academie, vanuit andere uitgangspunten en met andere praktiserende methoden, beter zou werken dan een beroepsopleiding van het traditionele kunstvakonderwijs. Met de Vrije Academie zette hij daar een laagdrempelig alternatief tegenover: de ‘onderzoekende beoefening der vrije beeldende kunsten’, voor getalenteerde amateurs en professionals die zich in werkplaatsen en open ateliers in alle mogelijke kunstrichtingen konden verrijken in de confrontatie met een degelijk docentenkorps. In de jaren vijftig experimenteerde Livinus er in grafiek op los, op zoek naar de grenzen die de grafische technieken boden. In 1937 was hij in Parijs al in de leer geweest op het atelier van Bill Hayter, een belangrijke vernieuwer in grafiek. ‘Het branden van gaten, het schroeien en doorzetten, bol ponzen aan de voorzijde, het opbollen aan de achterzijde, in schuurpapier gaten knippen, vlekken bijten met zwavelpoeder, vingerafdrukken zetten als merk op de achterzijde’, zo beschreef hij zijn experimenten in een aantekenboek. Daar bleek zijn onderzoekende geest al uit. Zelf doceerde hij grafische vakken aan de Vrije Academie, in het begin gehuisvest in het gebouw Amicitia aan het Westeinde.


Livinus in zijn atelier (l)
Livinus, afbeelding van ‘chromo-peinture’ (beiden uit de vluchtkoffer van Livinus, 2011) 

Tijdens zijn directeurschap ontwikkelde Livinus zich van graficus tot experimenteel lichtkunstenaar. In de jaren zestig experimenteerde hij met lichtbronnen, lichtgeleidende en lichtgevoelige materialen, waarmee zijn foto- en chronopeintures ontstonden. Livinus werd de kunstenaar die ‘met licht schilderde’; met zijn lichtorgel was hij eigenlijk te vroeg voor het nieuwe computertijdperk. Hij kwam in contact met talrijke bekende kunstenaars als Picasso, Marcel Broodthaers en Fluxuskunstenaar Nam June Paik en hij werkte samen met Karlheinz Stockhausen en de popgroep Jefferson Airplane. Gerard Fieret, later bekend als de meest illustere fotograaf van Den Haag, diende Livinus een tijd als assistent. Livinus was er met video vroeg bij. Video vond hij leuker dan de films die destijds op televisie werden uitgezonden, omdat het bij video niet allemaal van tevoren gecontroleerd was. Het toevalselement speelde een belangrijke rol in zijn werk. In 1964 ontving hij de prestigieuze Sikkensprijs. Onder zijn onorthodoxe en bezielende leiding werd de Vrije Academie wijd en zijd befaamd, een laboratorium voor de beeldende kunst, waar deelnemers en begeleiders werkten aan een integrale vorming. Bonies was nog geen twintig toen hij zich met een map vol tekeningen bij Livinus op de Vrije Academie meldde, die inmiddels aan de Hoefkade huisde. Bonies was op school al bedreven gebleken in tekenen en het maken van objecten. Een toelatingsexamen was er niet, wel een intakegesprek met de directeur, en die ontwaarde bij Bonies al een zekere begaafdheid. Op zijn vraag of Bonies beroepskunstenaar wilde worden, kreeg hij een bevestigend ‘ja’. Toen bij het bekijken van vroeger werk al enige ontwikkeling bleek, werd Bonies aangenomen. Naast de Konstfackskola in Stockholm was de Vrije Academie voor Bonies het opleidingsinstituut waar hij werd gekneed. Daar besloot hij ook beroepskunstenaar te worden.


Livinus en Willem Sandberg bij interview met Le Corbusier (l)
Krantenartikel over De ‘vluchtkoffer’ van Livinus, 2011 (met Marie-Jeanne de Rooij, de laatste directeur van de Vrije Academie)
(beiden uit de vluchtkoffer van Livinus, 2011)

In 1964 nam George Lampe het stokje van Livinus over, hij was er al enige jaren docent en fungeerde er als adjunct. De Vrije Academie was inmiddels ook internationaal uitgegroeid tot een vermaard instituut. Lampe schilderde in een overvloed aan stijlen: kubisme, expressionisme, Cobra en Popart. Hij was lid van Verve, een groep van zo’n twintig veelal figuratief werkende Haagse kunstenaars, onder aanvoering van Jan van Heel en Willem Schrofer. In 1960 richtte George Lampe Fugare op, min of meer een voortzetting van Verve, met onder anderen Jaap Nanninga, Jan van Heel, Willem Hussem, Nol Kroes, Theo van der Nahmer, Wim Sinemus en later ook Gerard Verdijk. Hoewel hun werk danig uiteenliep, werkten de kunstenaars allen abstract, abstraherend of experimenteel. Maar ook hier leek de figuratie boven de abstractie te worden verkozen. Volgens Gerard Verdijk creëerde Lampe graag groepen om zich heen, en wist hij met Fugare enkele tentoonstellingen in het land te krijgen, onder andere in het Van Abbemuseum (1962) en het Zeeuws Museum (1967). In Den Haag exposeerde kunsthandelaar Lucassen in zijn deftige Kunstcentrum in de Molenstraat regelmatig het werk van Fugare-kunstenaars. Zelf was Lampe een geziene gast bij Kunstzaal Liernur van mevrouw Eijffinger in de Zeestraat, ook zo’n markante galerie die veel jonge Haagse kunstenaars toonde. Toch is Lampe als kunstenaar enigszins in het vergeetboek geraakt, hij werd door vakgenoten ook niet als een groot kunstenaar gezien. Zijn naam lijkt meer verbonden gebleven met de geschiedenis van de Vrije Academie. Opmerkelijk is trouwens dat Livinus van de Bundt geen lid was van Fugare, terwijl hij als visionair pionier van de audiovisuele kunst zeer experimenteel werkte. Dat maakt nieuwsgierig waarom juist een kunstenaar als George Lampe werd aangetrokken om Livinus op de Vrije Academie op te volgen.


George Lampe, foto Marianne Dommisse (uit: Haagse Kopstukken, 1991) (l)
Bericht uit Psychopolis

Voor menig bekende professionele kunstenaar was de Vrije Academie – het maakte niet uit of je je inschreef voor een volledige cursus of voor een of enkele avonden per week – een uitgelezen alternatief voor de toen gangbare formalistische kunstopleidingen. Met de ruige jaren zestig van de hippiecultuur in aantocht, ging de aandacht uit naar creatieve ontplooiing en geestverruiming. Amper twee jaar na zijn aantreden doopte George Lampe de Vrije Academie om in Psychopolis: iedereen was welkom, in de overtuiging dat ieder mens eigen is en zijn ontplooiing zowel hemzelf als de samenleving ten goede zou komen. Onder invloed van de tijdgeest was die gedachte ver doorgevoerd, zodanig dat selectiecriteria er nauwelijks toe deden. Het opleidingskarakter van de Vrije Academie verschraalde. ‘Ga met Psychopolis Tours op safari in je eigen onderontwikkelde binnenlanden’, zo luidde een van de slogans. Eenieder, van huisvrouw tot bejaarde, rotzooide naar eigen individueel inzicht maar wat aan, zoals deelnemers het uitdrukten. Gerookt, geblowd, gevrijd en gedronken werd er in overvloed. Zo veranderde George Lampe, zelf een notoire rokkenjager en een forse innemer, de Vrije Academie allengs in een vrijplaats voor zelfontwikkeling, waar ‘bezig zijn, niets moet en alles mag’ voldoende was. Op kwaliteit en motivatie werd nauwelijks gelet, de intentie van waaruit de deelnemers werkten, werd niet getoetst. Door het ontbreken van een drempel kwam er in de jaren zeventig een grote toestroom. Op zeker moment stonden er meer dan tweeduizend mensen ingeschreven, zodat ‘talentvolle amateurs terechtkwamen in een klas vol AOW’ers, die van een pasfoto portretten schilderden’. Wellicht was Lampes huisgenoot Bibeb, die voor Vrij Nederland bekende Nederlanders interviewde, mede debet aan dit hoge aantal. Volgens zijn vriend Aat Verhoog berustte de status van George Lampe zelfs op het feit dat hij de huisgenoot van Bibeb was. Iedere BN’er wilde graag door haar geïnterviewd worden, ook al lag het gevaar op de loer dat zij hen tot intieme en opzienbarende uitspraken zou bewegen, die in het land niet zelden het nodige stof deden opwaaien. Bibeb was goed ingevoerd in de kunstwereld. Haar interviews met beeldend kunstenaars verschenen in Vrij Nederland, onder anderen met Louise Bourgeois, Constant, Herman Gordijn, Aat Verhoog, Jan Sierhuis, Peter Struycken, Jan Cremer en Lotti van der Gaag. Bibeb liet haar stukken vaak voor publicatie aan George lezen, die haar van zijn kant verschillende malen lovenswaardig portretteerde. Bonies is bij Bibeb niet aan bod gekomen, aan hem is aandacht besteed door andere journalisten van Vrij Nederland. In 1982 kwam George Lampe te overlijden. Tijdens zijn ziekte nam beeldhouwer Rudi Rooijackers de honneurs op de Vrije Academie waar.


George Lampe, Trappenhuis Vrije Academie, De Gheijnstraat, 200×200, 1979/’80 (l)
George Lampe, Laatste verjaardag, 200×200 cm, 1978/’79

Na de dood van Lampe nam Frans Zwartjes het roer op de Vrije Academie over. In de jaren zeventig werkte hij er al als docent experimentele film, zijn vrouw Trix was er docent en begeleidster textiel. Zwartjes was in kunstkringen bekend als de cineast van korte, opzienbarende underground-films, zoals Eating (1969), waarin meisjes elkaar vol overgave besmeuren met voedsel, of Seats Two (1970), een voor die tijd nogal schokkende studie van lesbisch gedrag. Zijn speelfilm Pentimento (1978), een sadistisch en surrealistisch beeld van erotiek, werd uit filmhuizen geweerd, en als ze wel werden vertoond, spoten tegenstanders de projectiedoeken met verf onder. Veel van zijn films zijn gebaseerd op het doorbreken van een verwachtingspatroon van de kijker, dat ophoudt op het moment dat een shot heel lang aanhoudt. Als docent had Zwartjes in den lande al de nodige ervaring opgedaan, ten aanzien van de Vrije Academie had hij een bijzondere belangstelling voor de didactische kanten van de opleiding. Hij wilde graag directeur worden, en daarnaast blijven filmen. Daar heeft hij zich naar eigen zeggen lelijk mee in de vingers gesneden. In de bureaucratische rompslomp ging veel werk zitten. Dat begon al in 1984 , toen de subsidiëring van de Vrije Academie onder verantwoordelijkheid van gemeente Den Haag kwam te vallen. Dat gebeurde in het kader van een subsidieruil met het ministerie van WVC, dat op zijn beurt van de gemeente Den Haag de subsidiëring overnam van het Letterkundig Museum en het Nederlands Kamerorkest.


Frans Zwartjes, uit de film Into the living, 1970

Het grote aantal deelnemers vereiste een efficiënte bedrijfsvoering, de aanwas was tot wildgroei verworden. Psychopolis was een interessant tijdsverschijnsel, maar bij het aantreden van Frans Zwartjes was het al een natuurlijke dood gestorven. In geest en gewoonten zat de Vrije Academie nog in haar jonge jaren; een uit de hand gelopen gezellig creativiteitscentrum, voor menig deelnemer een prettige vrijetijdsbesteding. Deelnemers en begeleiders gingen hun eigen gang, het ontbrak hun dikwijls aan motivatie. Er heerste onrust, en ruzies waren aan de orde van de dag. Voor Zwartjes liep de opleiding het gevaar te vervlakken, te veel een alternatieve opleiding in een sfeer van bezigheidstherapie, waarin de onderzoekende beoefening van de beeldende kunst ver te zoeken was. Hij probeerde daar verandering in te brengen door projecten over twintigste-eeuwse kunst en werkbesprekingen over exposities en publicaties op gang te brengen. Zo werd in 1986 de nieuwe afdeling Studium Generale opgezet. Tot dan toe was er geen theoretische afdeling waarin vakken als kunstgeschiedenis of kunstbeschouwing werden gedoceerd. De onrust had echter een remmende invloed op de inhoudelijke activiteiten. In de top heerste al snel een ernstig verschil van mening tussen de directeur en zijn hoofdadministrateur, die zich ook met inhoudelijke zaken zoals de vervanging van begeleiders bemoeide, en hun vaak te weinig uitbetaalde. Geld uit de kas werd aantoonbaar aan oneigenlijke doelen besteed, en als Zwartjes er iets van zei, kreeg hij kreten als ‘controle’ of ‘bedilzucht’ naar zijn hoofd geslingerd. Maar ergo, de Vrije Academie ging sterk gebukt onder bezuinigingen van de gemeente. Bovendien begon het aantal deelnemers te dalen en bereikte in 1988 een dieptepunt van zeshonderd, hetgeen zich in de inkomsten deed gevoelen. De kampen raakten verdeeld en de onrust sloeg over op het bestuur. De gemeente dreigde zelfs de subsidie in te trekken, die zij per maand kon beëindigen. Zwartjes slaagde er niet in om de organisatie in positieve zin te doen kantelen, vooral doordat hij op verzet van de vele begeleiders en hun assistenten stuitte, die vastzaten aan gegroeide routines en verlies van hun baantje vreesden. Zij belegden vergaderingen waar de directeur niet bij aanwezig mocht zijn. Zwartjes lag ook met het bestuur overhoop, zowel over het te voeren beleid, als over de wijze waarop bezuinigingen moesten worden doorgevoerd. Tevens speelde de huisvestingsproblematiek, omdat het gebouw aan De Gheijnstraat, al de derde plek van de academie, in het kader van de stadsvernieuwing zou worden afgebroken. Naar aanleiding van deze problemen formeerde de gemeente een Commissie van Goede Diensten onder leiding van de zeer geziene oud-wethouder, staatsraad Piet Vink, samen met Janwillem Schrofer (directeur Rijksacademie) en Hein van Haaren (directeur Willem de Kooning Academie). Die commissie adviseerde in haar rapportage het roer over te dragen aan een nieuw bestuur, waarop het wankelmoedige bestuur werd vervangen door een interim-bestuur. Het kreeg als opdracht een nieuw beleidsplan op te stellen waarin de positie van de Vrije Academie naast het professionele kunstvakonderwijs en de amateuristische kunstbeoefening gemarkeerd moest worden. Ook moest het een nieuwe directeur werven, die een reorganisatie zou kunnen doorvoeren en een nieuwe huisvesting moest klaren. En voor alles moest er over een periode van een aantal jaren duidelijkheid komen over de financiële situatie. Medio 1987 trad het interim-bestuur aan. Frans Zwartjes werd als directeur en als begeleider de wacht aangezegd en gedurende de ontslagperiode geschorst. Aan een zware sanering, met name inkrimping van sommige disciplines, viel niet te ontkomen, nu het nieuwe bestuur bij de toelating van het aantal deelnemers veel zwaardere kwaliteitseisen wilde stellen.


Frans Zwartjes, Zonder titel, houtskool op papier, 42×30 cm, 1987

Voorzitter van het interim-bestuur werd Theo van Velzen, voormalig directeur van het Haags Gemeentemuseum (1977-1986). Daarvoor was hij tien jaar opperhoofd van directie Kunsten op het ministerie van CRM. Een onverstoorbare man, met ‘droevige ogen in een dodelijk vermoeid gezicht’, zoals hij bij zijn afscheid van het museum werd getypeerd. Als directeur van het Gemeentemuseum was hij gefocust op de brede taken ervan, hij wilde niet uitsluitend beoordeeld worden op basis van initiatieven op het gebied van moderne kunst, hetgeen hem onder kunstcritici niet altijd in dank werd afgenomen. Hij was meer een hopman dan een artistiek aanvoerder. ‘Geen kunstfreak’, zoals hij het zelf verwoordde. Hij vertrok er ‘als een uitgebluste brandweerman, die eindelijk wel eens vrij wilde zijn’. De wegen van Theo van Velzen en Bob Bonies hebben zich meerdere malen gekruist. Bonies memoreert een gesprek met hem, waarvoor hij in zijn functie op het ministerie van CRM naar café de Posthoorn kwam om ter voorbereiding op een gesprek met de minister te overleggen met de Bond van Beeldende Kunstenaars Arbeiders (BBKA). Ernst Vijlbrief en Flip van de Burg hadden als verrassing een doodshoofd meegenomen uit Amsterdam, symbolisch voor het falende cultuurbeleid van CRM. Een doorsnee-ambtenaar zou zijn afgehaakt, zo niet Theo van Velzen, die vertrok geen spier. Hij werd er niet koud of warm van en confereerde, de ene na de andere sigaret opstekend, rustig door met de kunstenaars.
In het interim-bestuur van de Vrije Academie namen tevens Jan Knopper en de Haagse architect Sjoerd Schamhart zitting. Knopper was net als Van Velzen hoofd directie Kunsten geweest op het ministerie. Bonies leverde in 1978 zijn gevecht over zijn ‘berufsverbot’ met hem. De overige leden waren Irma den Hertog, Frans van Kreuningen en Rob Diercks. Als kunstenaars wilde het interim-bestuur Jurjen de Haan en Gerard Verdijk aantrekken, maar die reageerden niet op een toetredingsverzoek. Ook de naam van Bonies viel toen, maar het bestuur had voorkeur voor een van de twee eerstgenoemden.


Frans Zwartjes, omslag catalogus ‘De betekeningen van Frans Zwartjes’, uitgave Artoteek Den Haag, 2004 (l)
Co Westerik, portret van Theo van Velzen, 50×60 cm, 1986, © Haags Gemeentemuseum

In mei 1988 trof Bonies Frans Zwartjes toevallig in het Stedelijk Museum. In het restaurant keuvelden ze over ditjes en datjes, toen Zwartjes er bij Bonies onverwachts op aandrong om te solliciteren naar de vacante functie van directeur van de Vrije Academie, waarvoor inmiddels een open procedure in gang was gezet. Het sprak Bonies wel aan, en ten huize van Theo van Velzen ging hij zich vervolgens oriënteren. Van Velzen bleek wel geporteerd van Bonies’ interesse. Uit ervaring kende hij hem als iemand die zich zeer betrokken voelde bij de vorming van beeldend kunstenaars, het overheidsbeleid kritisch volgde en te pas en te onpas voorstellen voor veranderingen daarin aandroeg. Voor een nieuwe start van de Vrije Academie zou hij een bindende figuur kunnen zijn. Bonies meldde zich na het gesprek met de voorzitter als kandidaat voor het directeurschap. Inmiddels was de advertentie voor de vacante functie in diverse bladen verschenen, waar ruim veertig personen op reageerden. Na gesprekken met acht kandidaten bleven er in de laatste ronde drie over: Bonies, Henri van Nes, beeldhouwer en schilder uit Dordrecht, en de Haagse kunstcriticus Philip Peters, toen ook begeleider op de Vrije Academie. Eind juni voerde de sollicitatiecommissie, bestaande uit Theo van Velzen, Irma den Hertog en Frans van Kreuningen, de laatste gesprekken. De eerste voorkeur ging uit naar Bonies en Van Nes, omdat zij van buiten de Vrije Academie kwamen en geen ‘partijdige’ ballast vormden, hetgeen meer op Peters van toepassing was. De uiteindelijke keus viel op Bonies. Men kende hem als een gedreven en geharnaste vechtjas, die met zijn strijdbare optreden de beste van de drie leek om op basis van het opgestelde beleidsplan schoon schip te maken, uit te huilen en opnieuw te beginnen. Bonies was bovendien onafhankelijk als kunstenaar, hij had een goede beroepspraktijk opgebouwd. Philip Peters werd een jaar later hoofdredacteur van het Museumjournaal.
Met de aanstelling van Bonies kwam er na Livinus, Lampe en Zwartjes weer een kunstenaar aan de leiding. Bauhaus indachtig had Bonies al meerdere malen verkondigd dat er altijd een kunstenaar aan het hoofd van een kunstopleidingsinstituut zou moeten staan. Dus niet zoals op de Rijksacademie of de Willem de Kooning Academie, waar in 1988 niet-kunstenaars benoemd waren. Op die academies speelde mee dat zij van rijkswege gebonden waren aan een leerprogramma. De Vrije Academie had daar weinig mee te maken. Met de formule van Bauhaus als voorbeeld kon men van koers veranderen, het programma bijstellen, ingrijpen in diverse faciliteiten of de personele bezetting aanpakken. De komst van Bonies geschiedde in het post-BKR-tijdperk, een tijd van aanpassingen van het overheidsbeleid, waarin geldstromen vrijkwamen van de overheid, het bedrijfsleven werkbeurzen en tentoonstellingsbijdragen voor kunstenaars instelde, en men zich meer dan voorheen met bemiddeling bezighield. Kunstbemiddelingsbureaus zagen het licht, de kunst was handel aan het worden. Het is niet onzinnig te veronderstellen dat ook deze veranderingen hebben bijgedragen aan de keuze voor Bonies als directeur. Tijdens de sollicitatieprocedure en zijn definitieve aanstelling in de zomer van 1988 zat Bonies meer voor de buis dan dat hij zich met de Vrije Academie bemoeide, gedreven als hij was door de prestaties van de atleten tijdens de Olympische Zomerspelen. De Nederlandse Monique Knol veroverde goud toen zij met haar befaamde lange sprint de dameswegwedstrijd wist te winnen. Bonies is zelf ook altijd een fanatieke wielrenner geweest, hij stapt ook nu nog regelmatig op een van zijn vele racefietsen of mountainbikes. In 1988 bedreef hij het racefietsen wel al in de middenmoot: ‘van iemand van vijftig kun je niet verwachten dat hij van voren rijdt’. Maar dan het schaatsen: drie echte en zeven alternatieve Elfstedentochten reed hij uit. Tochten van tweehonderd kilometer waren hem op die leeftijd niet vreemd, wel met koffie en ruim voorzien van gebak, want Bonies is gesteld op zoetigheid. In zijn jonge jaren was hij het type van een duursporter, die net zoals hij zijn kunstenaarschap opvat, steeds maar doorging in een bepaalde ontwikkeling.


De Vrije Academie, Paviljoensgracht (l)
Bonies, inmiddels 80 jaar geworden, trots op zijn nieuwe mountain E-bike, september 2017

Voor Bonies was de artistieke leiding van de Vrije Academie een nieuwe uitdaging: ‘In zekere zin denk ik dat dit wel eens mijn grootste kunstopdracht zou kunnen worden, na dertig jaar in de kunst te hebben gewerkt’. Hij dacht het vijf of zes jaar te doen, om zo de spanning erin te houden. Uiteindelijk hield hij het tot 2001 vol. Op 1 september ging hij officieel aan de slag op de kommervolle academie, waarvan de ideologie door de tijd was ingehaald. Met het beleidsplan van het interim-bestuur als richtsnoer zette Bonies een koersverandering in gang. De toetsing van eerder gemaakt werk keerde terug – een eerste stap naar een strengere selectie op kwaliteit – waarmee meteen een grens werd gesteld aan het aantal deelnemers. Deelnemers die het geëiste niveau niet haalden, moesten elders hun heil zoeken, bij een van de creativiteitscentra in de stad. Voor de gemeente was dit aanleiding om een korting op de subsidie toe te passen van fl. 150.000,-, dat naar het Centrum voor Kunstzinnige Vorming werd doorgeschoven. Voortaan kreeg iedere deelnemer een intakegesprek, en moest men zich ieder jaar opnieuw inschrijven. Deelnemers die langer dan vijf jaar van de faciliteiten gebruik hadden gemaakt, konden slechts bij hoge uitzondering weer worden ingeschreven. De oude indeling naar de hoedanigheid van het kunstwerk werd hersteld: tweedimensionaal, driedimensionaal en een up-to-date audiovisueel bedrijf met donkere kamers. De typische Nederlandse blokindeling met per blok één specifieke opleiding in schilderen, beeldhouwen, grafische technieken et cetera was niet langer actueel. Bonies, geïnspireerd door Bauhaus, is als kunstenaar ook niet gericht opgeleid tot schilder of beeldhouwer, maar volgde aan de Konstfackskola in Stockholm en aan de Vrije Academie onder Livinus een brede, integrale opleiding, waarin hij zelf zijn programma kon samenstellen. Essentieel daarin was theoretische vorming en bovenal het ontwikkelen van ambachtelijke vaardigheden, als basis voor het beoefenen van de beeldende kunst.
In de discussie over een ondernemingsplan speelde de vraag of de Vrije Academie zich op het terrein van de beroepsopleiding zou moeten begeven. Volgens het interim-bestuur hield deelname aan de Vrije Academie op geen enkele manier de zekerheid of belofte in op de beroepsmatige uitoefening van het vak beeldend kunstenaar, ondanks dat er wel degelijk kunstenaars via de Vrije Academie naar een beroepspositie waren gegroeid. Veel Haagse beroepskunstenaars van na 1950 hadden een Vrije Academie-achtergrond. Aan de andere kant mocht de beoefening van beeldende kunst hier ook geen vrijblijvende bezigheid zijn. Bonies beschouwde de Vrije Academie als een gerechtvaardigde scholing, met serieus onderzoek en de mogelijkheid tot zelfontwikkeling binnen het reguliere kunstvakonderwijs, waarin de deelnemers begeleid werden naar een beroepspraktijk en een hoog gekwalificeerde beoefening van de beeldende kunst. Juist de actualiteit in de beeldende kunst was een conditio sine qua voor het voortbestaan. Voor de opleiding was de confrontatie met de ontwikkelingen in de beeldende kunst essentieel, zoals die ook Livinus van de Bundt voor ogen stond.


Bonies in 1981 (foto Hans Biezen © Van Abbemuseum)

Het aantal vaste begeleiders moest nu drastisch worden ingekrompen. Er moest ruimte komen voor gastdocenten die voor twee of drie jaar werden aangetrokken en pasten in werkplannen die op grond van wat in de beeldende kunst gebeurde naar de actualiteit werden bijgesteld. De ondernemingsraad maakte zich sterk om de rechtspositie en salariëring van het personeel conform de Cao CKV Kunstzinnige Vorming geregeld te krijgen. Over dit heikele punt zou nog lange tijd gesteggeld worden. Bestuur en directie waren mordicus tegen: het zou de doelstellingen van de Vrije Academie, als flexibel instituut dat in de actuele ontwikkeling van de beeldende kunst moest meegaan, alleen maar belemmeren. Bovendien, de academie was geen creativiteitscentrum meer. Uitgangspunt voor het bestuur was flexibiliteit in de personele begroting, waarvan een aanzienlijk deel bestemd moest zijn voor tijdelijke contracten van de artistieke begeleiders. Voor het bestuur en directie was werkgelegenheid en/of rechtszekerheid geen uitgangspunt voor beleid: er bestond geen cursorische opzet van het programma, een belangrijk accent lag juist op projecten. De deelnemers schreven zich steeds voor één jaar in. Bij Bonies’ aantreden stonden er 51 begeleiders, assistenten en personeelsleden op de loonlijst, twintig van hen waren al langer dan tien jaar aan de Academie verbonden. Een deel werd vrijgesteld van begeleidingstaken en meteen op non-actief gesteld. Na een intensieve strijd met de ondernemingsraad en de FNV over een reorganisatie- en sociaal plan, waarin de nodige juridische klippen omzeild moesten worden, werd hun collectief ontslag aangezegd. Individuele ontslagen bleken aanvankelijk moeilijk te verwezenlijken op grond van kwalificaties, leeftijd en de lange duur van de dienstverbanden. Dit gevecht was Bonies op het lijf geschreven, overtuigd van de richting die hij met het bestuur moest inslaan. In het reorganisatieplan werd vastgelegd welke dagdelen en welke disciplines een bestendige begeleiding kregen.


Expositie Bonies in het Van Abbemuseum, 1981 (foto Hans Biezen © Van Abbemuseum) (l)
Dyptiek (tweedelig), 200×160 cm, 1972. Collectie Van Abbemuseum

Een urgente kwestie betrof de verhuizing van het tot afbraak gedoemde pand aan De Gheijnstraat naar een nieuwe locatie. De gemeente had daarvoor de oude tapijthandel van Mentz, pal in het centrum aan de Paviljoensgracht op het oog. Het was voor een slordige vier miljoen ten laste van het Stadsvernieuwingsfonds aangekocht, waardoor de huurlasten van de academie op het oude niveau gehandhaafd konden blijven. Architect Arne Mastenbroek mocht op voorstel van het bestuur samen met Bonies het ontwerp voor de inrichting maken. Uitgangspunt was dat de Vrije Academie een actieve plek zou worden, waarin tevens met andere kunstdisciplines zou worden samengewerkt: beeldende kunst in relatie tot toneel en muziek. Die samenwerking moest kansen op kruisbestuiving bieden. Uitgaande van een indeling naar de hoedanigheid van het kunstwerk werden op drie verdiepingen de werkplaatsen ingericht, zodanig ingedeeld dat deelnemers en begeleiders elkaar aan het werk zagen en elkaar konden ontmoeten. Op de tweede verdieping ruimtes met daglicht voor tweedimensionaal werk; een up-to-date audiovisueel bedrijf en donkere kamers op de eerste verdieping; en op de begane grond voorzieningen voor driedimensionaal werk. Het Studium Generale met podium en mogelijkheden tot projectie en expositieruimte voor deelnemers kreeg een plek op de benedenverdieping. Publiek en academie kregen zo de gelegenheid elkaar in het kader van het Studium Generale te leren kennen. Het bood tevens plaats voor workshops, lezingen, multimedia-manifestaties met dans en podiumkunsten waarbij met decors en geluid werd gewerkt. Daaromheen creëerden zij kleinere ruimten voor individuele kunstbeleving en -beoefening. Kantoor en bibliotheek kwamen in de buurt van de ingang te liggen, dicht bij de andere voorzieningen voor kunstbeleving. Voor de renovatie en inrichting trok de gemeenteraad fl. 1.750.000 uit, dat al snel uitliep op een tekort van fl. 65.330-, exclusief btw. De Vrije Academie was niet btw-plichtig en moest voor de teruggave van btw over de verbouwing een strijd voeren met de Belastingdienst, teneinde binnen het budget te blijven. Het zou nog vijf jaar duren voordat de academie erkend werd als onderneming in de zin van de Wet op de omzetbelasting. Pas toen vond de teruggave plaats van de betaalde btw over de renovatie van de Paviljoensgracht.
De renovatie kwam op 1 oktober 1989 gereed, waarna het programma op de nieuwe locatie kon worden opgestart. Ter gelegenheid van de nieuwe inhuizing bood Bonies zijn bestuur een klok van Max Bill aan.


Expositie Bonies in het Van Abbemuseum, 1981 (foto Hans Biezen © Van Abbemuseum)

Met het opstellen van criteria waaraan de nieuwe (hoofd)begeleiders moesten voldoen, bekeek de leiding of iemand beroepskunstenaar was en daarmee (hoofd)begeleider kon zijn. Zij werden getoetst op grond van criteria die de overheid hanteerde met betrekking tot beroepskunstenaars en hun professioneel manifesteren, het ging dus om praktiserende kunstenaars die hun inkomen buiten de Vrije Academie uit hun beroepspraktijk haalden. Als hoofdbegeleiders traden medio 1989 aan Babette van Loo (audio-visueel) en Rudi Rooijakkers aan, later Kees Verschuren (ruimte en keramiek) alsmede Will Bouthoorn (tekenen en schilderen, later vlak). Een aantal oude begeleiders viel onder de nieuwe criteria en werd na ontslag opnieuw op een negen of tienmaandscontract aangenomen, onder anderen Pien Hazenberg, Pim van der Maas, Nout Visser en Constance van Duinen. Bonies maakte zich ook sterk om Frans Zwartjes, wiens dienstverband per 1 januari 1989 definitief was opgehouden, als gastbegeleider terug te halen voor een à twee units per week, hetgeen in het bestuur met gemengde gevoelens werd ontvangen. Als aanvulling op zijn WW en het betalen van pensioenpremies tot zijn 65ste had Zwartjes fl. 100.000,- meegekregen, waartegen in anonieme brieven aan de wethouder stelling werd genomen. Begin 1990 trok Bonies Frans Zwartjes alsnog aan, zijn contract werd met gesloten beurzen opgemaakt. Per slot van rekening had Frans Zwartjes een vooraanstaande rol gespeeld op het gebied van de experimentele film in Nederland.

Inhoudelijk ging Bonies voortvarend te werk met projecten van de kunstenaars Vilma Henkelman, (keramiek), Heiner Holtappels (video), Marius Quee (ruimtelijk), Rien Monshouwer (installatiekunst) en een bewegingsproject met Constance van Duinen en Naomi Duveen. Kunsthistorica Ingrid van Santen, die al in 1986 het Studium Generale had opgezet, herzag dit programma met lezingen en excursies. Zij trok hiervoor jonge kunsthistorici aan, zoals Hestia Bavelaar en Patricia van Ulzen. Onder leiding van Hestia Bavelaar en Joost Baljeu vond een Studium Generale plaats met workshops over Theo van Doesburg en De Stijl, Bauhaus en Malevitsj en de na-oorlogse geometrische kunst. Met Alfred Eikelenboom werd samenwerking gezocht in verband met de grote Malevitsj-tentoonstelling in het Stedelijk Museum. In het pand op de Paviljoensgracht bleek er geen plek over voor een kantine, die in De Gheijnstraat altijd gezellig vol zat. Twee deelnemers organiseerden in overleg met Bonies een alternatief om de hoek in de Nieuwe Molstraat, het latere Syndicaat, waar directie, personeel, begeleiders en deelnemers voortaan heen togen voor koffie of een borrel. Aan de Paviljoensgracht resteerde één tafel met een koffieautomaat. Sterke drank en drugs waren er uit den boze, Bonies was er wars van.


Alfred Eikelenboom, tekening op grafisch blad met raster- en lijnenpatroon, 1976/1980/1988

Voor het bestuur, dat in aanvang dicht op de directeur zat, was er werk aan de winkel. De leiding had haar handen vol aan de renovatie van de nieuwe behuizing, aan alle juridische procedures rondom de gedwongen ontslagen, de vernieuwing van het begeleiders-corps, de verscherping van het toelatingsbeleid en het oplossen van praktische problemen zoals de btw-kwestie. Er werd maandelijks vergaderd over de nieuwe koers en de reorganisatie. Voorts moest het bestuur overleggen met de ondernemingsraad en de FNV over typische OR-aangelegenheden zoals het reorganisatieplan, ontslagen, hernieuwde tijdelijke aanstellingen van artistiek begeleiders en assistenten, tijdelijke contracten, et cetera. De reorganisatie vatte Bonies op zijn gebruikelijke wijze kort samen als ‘het kappen van dor hout’. Inhoudelijk over kunst spreken en met kunstenaars in discussie gaan deed hij niet. En als er niet aan te ontkomen viel, voerde hij zulke gesprekken met de beroepsverenigingen. Ook vond hij dat professionele kunstenaars die vanuit hun beroep op de Vrije Academie kwamen werken, niet in de ondernemingsraad thuishoorden. Hij meldde regelmatig dat de ondernemingsraad wel erg veel bleef ‘zaniken’, dat mochten ze ook blijven doen maar dan graag op een zakelijke wijze. Niettemin groeiden bestuur en ondernemingsraad onder leiding van Jaap Kuypers, die een van de nieuwe begeleiders werd, toch geleidelijk naar elkaar toe. Zo kon het bestuur eind mei 1989 de OR vragen om zich in de komende vergadering van de gemeenteraadscommissie Cultuur op constructieve en positieve wijze uit te laten over het gezamenlijk overleg, er was namelijk geld nodig voor de afvloeiing van het oude personeel. Een positieve indruk van het overleg tussen het bestuur en de ondernemingsraad kon een gunstige invloed hebben op de stemming in de gemeenteraad.


Expositie Bonies in het Van Abbemuseum, 1981 (foto Hans Biezen © Van Abbemuseum)

Medio 1990 was de kwaliteit van de Vrije Academie verbeterd. De nieuwe begeleiders waren aan het werk en de nodige gastbegeleiders waren aangetrokken. Deelnemers met aantoonbaar talent werden op artistieke kwaliteit uitgekozen, het aantal was beperkt tot driehonderd. De begrippen ‘kunst’, ‘kwaliteit’ en ‘toetsing’ hadden weer inhoud gekregen, en de academie zat in een goed geoutilleerd pand. Kunst willen maken was de enige legitieme reden om deelnemer te worden aan de Vrije Academie. Om creatief bezig te zijn in je vrije tijd, daarvoor moest je elders zijn. De ontwikkeling van het individuele kunstenaarschap was het hoofddoel, de deelname aan werkplaatsprojecten, workshops, Studium Generale en symposia had een sterke stimulans gekregen. Het was een dynamische tijd, de eerste jaren onder leiding van Bonies, die in zijn bekende kleuren een compleet nieuwe huisstijl had ontworpen. Het programma was intensief: in 1991 al met twaalf wisselende tentoonstellingen, veertien lezingen waaronder een van Marinus Boezem, excursies naar het HCAK (Jan van Grunsven en Joep van Lieshout), het Centraal Museum (Pyke Koch)en het Stedelijk Museum (Daan van Golden en Fortuyn/O’Brien). En er vonden de nodige projecten plaats: over fundamentele schilderkunst (Tomas Rajlich), formele aspecten en ruimtelijke ervaring (Hans Ensink op Kemna), sculptuur en beweging (Naomi Duveen) of Fluxus (Bob Lens). In december vond het Audio-Visueel Festival VILM plaats met recente, onafhankelijke film- en videoproducties. Naast autonome kunst kende men bovendien een gelijkwaardige plaats toe aan opdrachtgebonden kunst. In dat kader vond een tentoonstelling plaats en verzorgden Frans van Bommel en Hans van der Pennen lezingen en een studiedag. De gedachte hierbij was dat de Vrije Academie zich voor opdrachtgevers kon onderscheiden door bij werving van kunstopdrachten niet alleen te bemiddelen, maar ook de productie van opdrachten te verzorgen. Men wilde actief op open procedures kunnen inschrijven en een strategie ontwikkelen om in besloten procedures te kunnen doordringen. Bonies had daar in de jaren tachtig vanuit zijn eigen beroepspraktijk de nodige ervaring in opgedaan.

Net nu de Vrije Academie in iets rustiger vaarwater leek te zijn gekomen – zij was nu de onderzoekswerkplaats voor beroeps- en amateurkunstenaars, die de commissie-Vink in 1987 voor ogen had – en de personele reorganisatie – uiteindelijk geen collectief ontslag maar ontbinding van de arbeidsovereenkomsten door de kantonrechter, toegekend op basis van een schadevergoeding van één maandsalaris per gewerkt dienstjaar – met veel financiële pijn leek opgelost, kwam de gemeente bij Bonies informeren hoeveel hij zou kunnen bezuinigen. De klap kwam even later, toen in 1991 vanuit het stadhuis een bezuiniging van fl. 1.350.000,- werd aangekondigd, hetgeen de beëindiging van de Vrije Academie zou inhouden (gefaseerd: fl. 350.000,- in 1992, fl. 500.000,- in 1993 en eenzelfde bedrag in 1994.) Niet alleen de Vrije Academie, maar vele andere culturele instellingen moesten het bezuren. Zo’n bezuinigingsronde paste in de traditie van Den Haag. Vanaf begin jaren tachtig had het gemeentebestuur bij voortduring in de culturele sector gesneden. Het leidde tot stevig verzet van zeventig culturele kunstinstellingen. Den Haag ontbeerde een adviescollege zoals de Amsterdamse Raad voor de Kunst of de Rotterdamse Kunststichting, vandaar dat de directeur van de Culturele Raad van Zuid-Holland, Abe van der Werff, als woordvoerder van de kunstsector optrad. Even later zou hij ook zitting nemen in het bestuur van de Vrije Academie.
Voor menigeen was de aangekondigde bezuiniging op de Vrije Academie een onnavolgbare strategie van de gemeente. Om zich ertegen teweer te stellen werd de commissie-Vink weer ingeschakeld, die aan de gemeente te kennen gaf dat zij als enige subsidiënt voortdurend nauw betrokken was geweest en sturend was opgetreden in het proces van reorganisatie en beleidsvernieuwing. De demoraliserende boodschap van de voorgenomen bezuiniging gaf het bestuur – oud-wethouder Jack Verduijn-Lunel was inmiddels voorzitter – en de directeur nauwelijks enige adempauze voor bezinning. Bonies bekritiseerde de voorgenomen bezuiniging in een interview in de Haagsche Courant met als kop ‘Desnoods commercieel’, hetgeen hem door zijn bestuur niet in dank werd afgenomen. Dat vond dat de klemtoon had moeten liggen op het verkrijgen van inkomsten uit subsidiegelden en de academie daarnaast moest zoeken naar additionele financiering. In het licht van deze zware bezuiniging moest men onderzoek gaan doen naar een ‘Vrije Academie Nieuwe Stijl’, en met een concreet plan komen om de academie overeind te houden. Aan de gemeente werd subsidie gevraagd, zodat de leiding in een overbruggingsperiode van drie jaar aan de realisatie van dit plan kon werken. Ook vroeg men de gemeente de voorgenomen bezuiniging van fl. 500.000,- voor 1994 te bevriezen. Sluiting dreigde direct, maar met de door Bonies ontplooide acties kon de academie in het studiejaar 1992/1993 openblijven. Uiteindelijk werd de bezuiniging teruggebracht tot fl. 350.000,- en bleef de Vrije Academie met steun van de linkse partijen overeind. Het werd als een grote kracht van Bonies gezien, dat hij ter overleving van de Vrije Academie steeds zichzelf en anderen oppepte om door te zetten, ook als het financieel niet meer kon.


De Zonnehof, tentoonstelling Constructivisten, 1991

In het openbaar liet Bonies zich kritisch uit over de omstreden cultuurpolitiek in de stad, die hij aan bestuurlijk onvermogen weet. Naast forse bezuinigingen was er gedonder rond de plannen voor de oprichting van een nieuwe gemeentelijke dienst Kunst en Cultuur. Kopstukken als Rudi Fuchs van het Gemeentemuseum en Hans Croiset van het Nationale Toneel waren tegen zo’n bedisselende mammoetorganisatie op het stadhuis, het betekende een aantasting van hun macht. Bonies dacht het tegenovergestelde, namelijk dat zo’n cultuurdienst met de juiste persoon aan het hoofd veel kon betekenen voor de kunst in de stad. Voor hem leek het verzet tegen een dergelijke dienst sterk op het zich willen onttrekken aan de publieke verantwoording: ‘Kunst is een zaak van algemeen belang, er wordt met gemeenschapsgeld gewerkt en de bevolking heeft het recht te weten waarom de kunstinstellingen werken zoals ze werken’. Zo had de Vrije Academie volgens de directeur een belangrijke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de stad. Tevens werd in die periode de zelfstandige stichting Stroom/hcbk opgericht, waar gemeentelijke taken op het terrein van de beeldende kunst aan werden overgedragen. Voor Bonies was dat niet bepaald het coördinerende instituut dat de kunstsector moest steunen. Samen met het Haagse beroepsveld, verenigd in het Platform Beeldende Kunst, gebruikte Bonies zijn Vrije Academie herhaaldelijk als middel om tegenstand te bieden aan het gemeentelijk kunstbeleid. Stroom/hcbk werd een belangrijk doelwit. Hij bestookte de nieuwe stichting met brieven en organiseerde bijeenkomsten over het functioneren, zonder overigens de tegenpartij uit te nodigen. Op de Vrije Academie werden anonieme pamfletten vervaardigd, waarvan de leiding de distributie ondersteunde en de deelnemers aanmoedigde die op te sturen. Begeleiders en deelnemers moesten mee de publieke tribune op als in de gemeenteraad het functioneren van Stroom/hcbk aan de orde was. In dit type conflict manifesteerde zich bij Bonies een dubbele houding: enerzijds kon hij individueel mensen voor zich innemen en in vertrouwen nemen, anderzijds ontwikkelde hij een intimiderende strategie naar zijn tegenstanders. Het wordt Bonies nagedragen te veel persoonlijk betrokken te zijn geweest bij conflicten met Stroom, hetgeen zichtbaar was in de langdurige confrontatie met directeur Lily van Ginneken. Illustratief is het loyaliteitsconflict waarin kunstenaar Heiner Holtappels – zowel begeleider op de Vrije Academie, als commissielid bij Stroom/hcbk – in april 1991 verzeild raakte. Per brief vroeg hij het bestuur van de Academie de directie in de persoon van Bonies tot de orde te roepen, maar het bestuur van de Vrije Academie stond erbij en keek ernaar, terwijl juist dat bestuur betoogde dat een goede werkrelatie tussen beide instellingen noodzakelijk was. De ‘tegenstroom’, aangevoerd door Bonies, naar eigen zegge als Haags beroeps beeldend kunstenaar, komt in een van de volgende afleveringen aan de orde.

De Vrije Academie had tijdens Bonies’ leiding continu te maken met tekorten op de exploitatie: in 1994 fl. 122.000 , in 1995 fl. 224.000. Deze wilde men financieren uit de terugontvangen btw-gelden op de verbouwing van het pand aan de Paviljoensgracht. Voor een deel waren de tekorten terug te voeren op de reorganisatie eind jaren tachtig. Het merendeel van de afvloeiingskosten van het personeel en de overschrijdingskosten van de verbouwing was door de Vrije Academie al voorgeschoten en drukte nog steeds op de exploitatie. De deelnemers betaalden ook te weinig, vergeleken met het collegegeld dat in het kunstvakonderwijs gangbaar was. Maar een tariefsverhoging voor de deelnemers, als een van de middelen om meer inkomsten te genereren, was geen optie, omdat behoorlijk wat deelnemers in de bijstand zaten. Met het handhaven van de status quo, een gemaximaliseerd aantal deelnemers, zou een structureel tekort van fl. 200.000,- ontstaan en zou de gemeente een slordige fl. 500.000,- moeten bijdragen, zo was de verwachting eind 1994. Tekorten financieren uit nieuwe activiteiten zoals de verkoop van kunstwerken, of meer bezuinigingen via reorganisaties, Bonies kreeg het in de jaren negentig bijna dagelijks op zijn bordje. Met Coopers & Lybrand voerde hij zelfs gesprekken over een eventuele ‘commerciële Vrije Academie’.


Bonies op de opening van tentoonstelling met Shiro Kuramata bij Galerie Vivid, 17 september 2017 en ontwerp schilderij

In volgende jaren richtte Bonies zich verder op de kernactiviteiten: de ontwikkeling van de beeldende kunst via de werkplaatsfunctie, het streven naar professionele beoefening in deeltijd, maar ook voltijd. Naast het reguliere programma bestond het avondprogramma. Daar maakten vooral deelnemers gebruik van die op een andere manier in de maatschappij stonden dan de deelnemers die zich ook overdag continu met beeldende kunst bezighielden. Er was een tendens naar deeltijd-beoefening, omdat het steeds moeilijker werd je fulltime met beeldende kunst bezig te houden. Evenals de begeleiders zocht Bonies zelf individueel contact met deelnemers, vooral met hen die naar zijn mening serieus met het kunstenaarschap bezig waren. Met een aantal groeide een productieve band.
Minder dan voorheen werden de pijlen gericht op het ontwikkelen van een kunstmarkt voor de deelnemers. Hun vaak experimentele werk was moeilijk onder te brengen binnen het reguliere galeriecircuit. Jonge deelnemers met artistieke ambities kozen meer voor zekerheid in hun bestaan. Door het wegvallen van de BKR en een strenger toezicht op de regelgeving bij de sociale diensten was voor menige deelnemer een stuk sociale zekerheid weggevallen. Door het wegvallen van een markt en het verslechteren van het financiële draagvlak konden veel kunstenaars geen atelier bekostigen. Daardoor was er een toenemende vraag naar werkplaatsen, een reden om een goed geoutilleerde werkplaats als de Vrije Academie in de stad overeind te houden. Er kwamen praktijk- en technische cursussen van betrekkelijk korte duur, waarbij deelnemers met apparatuur leerden omgaan. Vanaf het studiejaar 1995-1996 bood de Academie applicatiecursussen aan, waarin een aantal disciplines geïntegreerd was, bijvoorbeeld een cursus monumentaal schilderen. Op geen enkele academie scheen dat in het leerprogramma te zitten, terwijl de maatschappelijke vraag via de kunstopdrachten steeds meer de richting uitging van het monumentaal toepassen van beeldende kunst, zoals muurschilderingen. Ook kwam er in 1995 een cursus gericht op de vakmatige beoefening van de beeldende kunst en wat er voor de bedrijfsvoering als kleine zelfstandige kunstenaar zoal nodig was. Constructieve-concrete kunst kwam in tentoonstellingen en lezingen regelmatig voorbij, in mei 1996 bijvoorbeeld in een tentoonstelling met de Haagse kunstenaars Willem Kloppers, André van Lier, Theo Vankan, Bonies zelf en anderen, samen met het werk van een aantal deelnemers.
Bij het Fonds in Amsterdam, waar de basisbeurzen en overige stipendia werden uitgegeven voor de zelfstandige beoefening van de beeldende kunst, werd de Vrije Academie in 1995 erkend als gelijkwaardig aan de overige academies. Nu kon de academie getuigschriften afgeven, zodat men bij dit Fonds voor een basisbeurs of stipendium in aanmerking kon komen. Voor het eerst werd een deelnemer van de Vrije Academie toegelaten tot Ateliers ’63, dat bekend stond om een streng toelatingsbeleid.
Omdat er te weinig inkomsten waren verworven om de academie draaiende te houden, moesten de tarieven uiteindelijk toch meer naar de landelijke norm worden opgetrokken.

In 1998 kende de gemeente de Vrije Academie structureel een extra subsidie toe, maar dan moest er wel onderzocht worden of er onder Haagse beeldend kunstenaars behoefte bestond aan aanpassing of uitbreiding van het programma. Het onderzoek werd namens het bestuur begeleid door Abe van der Werff, Bonies en begeleider Martin Rous jr. In het studiejaar1998-1999, waarin het onderzoek werd uitgevoerd, stonden 165 deelnemers ingeschreven, de meeste voor schilderen (27 procent) gevolgd door tekenen (17 procent ) en grafiek (12 procent ). Keramiek, monumentaal, beeldhouwen, fotografie waren minder populair, het laagst scoorden film, video en geluid (2 procent ). Kunstenaars konden ook als niet-deelnemer gebruikmaken van de werkruimtes, gereedschappen en apparatuur van de academie, en jaarlijkse cursussen en workshops volgen. Over de artistiek-inhoudelijke begeleiding, vaktechnische begeleiding en de kwaliteit van de werkplaatsen waren de respondenten wel tevreden, de kwaliteit van de apparatuur en gereedschappen werd minder positief beoordeeld. De tentoonstellingsruimte daarentegen bleek een waardevolle functie te hebben en werd ook intensief bezocht. Zeker omdat behoorlijk wat deelnemers er hun werk konden tonen.


Overzicht bij galerie Vivid met werk van Bonies en Shiro Kuramata, 17 september 2017 en ontwerp schilderij links

In 1998 werd Bonies ziek. Hij wilde dit niet door het bestuur naar buiten gebracht hebben, waardoor er meteen geruchten rondgonsden op de Academie. Hoewel hij arbeidsongeschikt raakte, voerde hij volgens medische afspraak naar bevind van zaken toch zoveel mogelijk werkzaamheden uit. Bij gebrek aan een zakelijk leider – om de begroting te ontlasten was op uitdrukkelijk advies van Bonies enige jaren daarvoor besloten de functie van zakelijk leider te schrappen – was bestuurslid Abe van der Werff de eerst aangewezene om Bonies uit de wind te houden, hem te vervangen en het management te ondersteunen. In april 1999 bestond dat bestuur uit de hoofdbegeleiders Marijke Verhoef, Nout Visser en Martin Rous jr. Voorts moest Van der Werff een visie ontwikkelen voor het ondernemingsplan 2001-2004 en een aangepast organisatieplan maken, waarna een bureauchef kon worden aangetrokken. De vervanging van Bonies geschiedde aanvankelijk in de sfeer van liefdewerk oud papier. Nadat Bonies’ inzetbaarheid als gevolg van zijn ziekte afnam, werd Abe van der Werff tot bestuursgedelegeerde gebombardeerd, waarmee hij twee moeilijk verenigbare petten op kreeg: een bestuurlijke en een directionele. Van zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid werd hij echter niet ontheven. Bonies, die in september 2000 weer voor halve dagen aan het werk ging, had al te kennen gegeven in het voorjaar 2001 zijn arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Het bestuur stuurde aan op een 50 procent taak in het kader van een reorganisatie en 50 procent in combinatie met een WW-uitkering. Maar het verzoek om Bonies ontslag te verlenen en hem partieel te herbenoemen, strandde bij de directie Arbeidsvoorziening, met als argument dat de Vrije Academie over 1998 een exploitatieoverschot had. Ondertussen opteerde Bonies voor Martin Rous jr. als mogelijke artistieke opvolger. Rous jr. was schilder, hetgeen in de artistieke prioriteiten van de academie zwaar woog, was breed inzetbaar en theoretisch goed onderlegd, maar leek weinig pedagogisch ingesteld. Voorshands vervulde Rous jr. voor enkele uren per week artistieke taken. Maar Bonies begon zich wel af te vragen of met de aanstelling van Rous jr. als plaatsvervangend artistiek leider, zijn eigen bevoegdheden niet te veel werden aangetast. De samenwerking mislukte, waarop Rous jr.’s taken werden ingetrokken en hij naar Suriname afreisde.


Prototypes op atelier Bonies, 2017

Eind 2000 begon de verstandhouding tussen bestuur en directeur te kantelen. Dat begon met declaraties die Abe van der Werff indiende als bestuursgedelegeerde en vervanger van de directeur. Die schoten Bonies in het verkeerde keelgat. De bestuursgedelegeerde hield zich ook intensief bezig met het samengaan van de Vrije Academie met het Koorenhuis, voorheen het Centrum voor Kunstzinnige Vorming. Bonies kwam als eerste met de suggestie om een samenwerkingsverband te zoeken, waarin de administratieve apparaten van beide instellingen goed zouden kunnen functioneren. Inhoudelijk moest de Vrije Academie haar eigen identiteit behouden en zich blijven onderscheiden van de KABK en het Koorenhuis. ‘Verlies je inhoudelijk je identiteit, op basis waarvan je subsidie krijgt, dan word je weggeblazen’, betoogde hij. Bij het bestuur kreeg Bonies’ idee een positief onthaal, waarop een marsroute werd uitgezet. De twee instellingen waren al in gesprek over het verbeteren van de wederzijdse doorstroming van deelnemers. Onder invloed van hun beleidsplannen en het voorliggende kunstenplanadvies waren deze gesprekken geïntensiveerd, met als conclusie dat beide instellingen kansen zagen voor een niet-vrijblijvende samenwerking. Het bestuur van de Vrije Academie leek veel meer dan Bonies een samengaan ten aanzien van het management en bedrijfsvoering voor ogen te hebben. Aan het eind van een gesprek dat het bestuur (Abe van der Werff en Frank van Kreuningen) en Bonies voerden met de directie van het Koorenhuis (Hans Muiderman), liet Bonies echter tot verbazing van de aanwezigen weten het samengaan van de organisaties geheel af te wijzen. Deze koerswending wilde hij ook aan zijn bestuur opleggen. Het laat zich raden dat Bonies met zijn houding naar een forse aanvaring met zijn bestuur solliciteerde. Er ontstond nu een situatie met een directeur die zelf liever gisteren dan vandaag had willen vertrekken, maar wel het bestuur wilde dwingen hem klakkeloos in zijn koerswending te volgen. Saillant is dat in dezelfde periode ook over integratie met de Grafische Werkplaats werd gesproken, de gemeente zag daar vooral een mogelijkheid toe omdat het cursusaanbod van beide instellingen vergelijkbaar was. Maar Bonies zag daar ook geen brood in. Door zijn optreden raakte het bestuur in een complexe situatie verzeild nu Bonies onverwachts van een ingezette koers afweek en daar naar buiten toe over communiceerde. De Vrije Academie kon zo een hoogst onbetrouwbare indruk worden verweten. In deze conflictueuze situatie stuurde Bonies erop aan te willen stoppen met behoud van volledig salaris en een zo gunstig mogelijke vertrekpremie. Hiertoe provoceerde hij een kantonrechterlijke procedure.


Zonder titel, 150×200 cm, 2008

In snel tempo ging de relatie tussen bestuur en directie bergafwaarts, juist in een periode dat Jack Verduyn-Lunel vanwege zijn benoeming tot directeur van de KABK het voorzitterschap moest neerleggen. Bonies tolereerde geen gesprekken meer over het Koorenhuis, hetgeen tot heftige woordenwisselingen in het bestuur leidde, dat een spreekverbod door de directeur niet accepteerde. Volgens het bestuur zette Bonies een ‘guerilla-achtige anti-stemming’ ten aanzien van het Koorenhuis op. Zo wilde hij een symposium organiseren om afstand te nemen van cultuureducatie en kunstzinnige vorming, iets waarover al lang was besloten dat dat bij het Koorenhuis thuishoorde en daar zou moeten blijven. Het lijkt op een ware kruistocht die Bonies aan het eind van zijn directeurschap voerde tegen zijn bestuur, dat naar zijn inzicht ‘volstrekt incapabel was en over tien jaar alleen maar mismanagement’ had laten zien. Een schaduwbestuur van werkelijk deskundigen – professionele beeldend kunstenaars – zou al staan te popelen om de macht over te nemen. Over de ‘schandelijke bestuurlijke misdragingen’ – en dat gaat op voor alle leden, maar in het bijzonder voor voorzitter Verduyn-Lunel – zou hij een rapport bij de wethouder uitbrengen, zo vernemen we uit bestuursstukken van januari 2001. Bonies beriep zich op de statuten waarin stond dat genomen besluiten in bestuursvergaderingen niet rechtsgeldig zouden zijn indien de vergadering later dan acht dagen van tevoren was aangekondigd, voorzien van agenda. Met deze tactiek zadelde hij het bestuur met een tijdrovende productie en een hoop ergernis op, in de hoop dat het er de brui aan zou geven. Hij weigerde bestuursleden zelfs de toegang tot de academie, en bestookte hen met intimiderende brieven, ook namens medewerkers. De artistiek-maatschappelijke waarde van deze acties zijn achteraf bezien ver te zoeken. Hier was een strategie herkenbaar uit de jaren zestig, toen er ook weinig morele middelen werden geschuwd om macht te verwerven binnen instituties. Ook diverse begeleiders en deelnemers deden mee aan het ‘moddergooien’ naar het bestuur, met brieven waarin zij ‘eenduidige uitspraken van het bestuur verwachten’, en met dreigementen dat het anders ‘dient af te treden’, of dat sommige bestuursleden ‘onverwijld hun bestuursfunctie beschikbaar dienen te stellen’ dan wel te dreigen met ‘een onafhankelijk en diepgaand onderzoek’. ‘Bob Bonies wil van iedereen af, die het met hem oneens is. De wereld zou nogal leeg worden met hem aan het roer’, zo liet Jack Verduyn Lunel de medewerkers van de Vrije Academie in februari weten. Het lijkt erop dat het bestuur Bonies wel erg veel ruimte in zijn functie heeft gegeven.
Onder leiding van de nieuwe voorzitter Jeannine Molier die op 1 januari 2001 aantrad, werd de procedure voor een nieuwe directeur opgezet. Ook hier nam Bonies weinig genoegen mee, om vervolgens deelnemers en medewerkers onder druk te zetten om hetzelfde te doen. Voor het benoemen van een nieuwe directeur wilde hij de formele ondersteuning van het gemeentebestuur, hoewel de gemeente geen enkele bemoeienis meer wenste in benoemingen bij gesubsidieerde kunstinstellingen. Bonies benaderde zelf de Haage kunstenaar Ingrid Rollema als eventuele opvolger, die zeer bekend was met het reilen en zeilen van de Vrije Academie. Op 6-, 7-jarige leeftijd kwam zij er al over de vloer, toen Gerard Lutz de kinderklas bestierde. Tien jaar later zat ze bij George Lampe op Psychopolis en Frans Zwartjes vroeg haar om begeleider voor beeldhouwen te worden. Bonies bezag haar als een bindende figuur, die niet tot een kamp behoorde en nooit met iemand ruzie had. Bovendien woonde ze in de nabijheid van de Academie. Uiteindelijk werd Ingrid Rollema daadwerkelijk als de nieuwe directeur benoemd.
Bonies’ arbeidsovereenkomst werd per 1 augustus 2001 door de kantonrechter ontbonden. Hij vertrok met een gunstige vertrekpremie en een ballonvaart als cadeau. Bonies zou Bonies niet zijn als hij niet nog regelmatig van zich zou laten horen op de Vrije Academie.
Terugkijkend op zijn directeurschap zegt Bonies dat hij enorm veel in de Vrije Academie heeft geïnvesteerd, waardoor hij veel minder aandacht aan zijn eigen werk kon besteden. ‘Als ik géén directeur van de Vrije Academie was geweest, zou ik wereldberoemd zijn geworden’, meldde hij in een van de gesprekken.


Entree van de Vrije Academie, Paviljoensgracht, 2014

Voor dit artikel heb ik het archief van de Vrije Academie geraadpleegd, gesprekken gevoerd met Bonies en betrokkenen, en geput uit de volgende publicaties, waaruit ik ook geciteerd heb:

  • L.J.F. Wijsenbeek (inl.), 5 jaar Verve. Den Haag: Postmuseum ‘s-Gravenhage, 1956.
  • Theo van Velzen e.a., eindred. Henk Overduin, Theo van Velzen. Directeur Dienst voor Schone Kunsten 1977-1986. Den Haag: Haags Gemeentemuseum, 1986.
  • An Salomonson, ‘Vrije Academie op nieuwe leest geschoeid’ in NRC, 17 september 1988.
  • Thomas Hendriks, ‘De kunstopdracht van Bob Bonies’ in de Haagsche Courant, 24 september 1988.
  • Hans Oerlemans, ‘Bob Bonies: We moeten terug naar de wortels van de academie’. Beelding, 2e jaargang nr. 9/10, december 1988 – januari 1989.
  • Dries Ekker, ‘Vrije Academie nu toch terug naar ‘af’’ in Pulchri 17e jaargang nr. 2, 1989.
  • Hans Oerlemans, ‘Twee jaar Perestrojka op de Vrije Academie’ in KIOSK, december 1990.
  • Donald Unger, ‘Frans Zwartjes: ‘Je moet je eigen geschoktheid kunnen bepalen’’ in Beelding, 4e jaargang, nr. 3, april 1990.
  • Tom Jan Meeus, ‘Haagse Schuld. Over de mores van een stadsbestuur’ in NRC, 25 juli 1992.
  • R.W.D. Oxenaar, Haagse Avantgarde. De Posthoorngroep. Den Haag: Gemeentemuseum; Amstelveen: Cobra Museum voor Moderne Kunst, 1997.
  • Onderzoeksrapport onder deelnemers van de Vrije Academie, september 1999.
  • Philip Peters, ‘Van Ouborg tot Orez. Haagse kunstenaars en kunstbemiddelaars’ in Aat van Yperen (red.), Frank Eerhart & Truus Gubbels, Onmetelijk optimisme. Kunstenaars en hun bemiddelaars in de jaren 1945-1970. Zwolle: Uitgeverij Waanders; Amsterdam: Stichting Visioen en Visie, 2006,
  • Marie Jeanne de Rooij (concept en eindred.), De vluchtkoffer van Livinus. Een verkennende eerste registratie van de teruggevonden curriculum vitae-koffer van Livinus van de Bundt en tevens aanzet tot verder onderzoek naar erfgoed en betekenis van deze vaak nog onderbelicht gebleven experimentele lichtkunstenaar. Den Haag: GEMAK & Vrije Academie Den Haag, 2011.
  • Adinda Akkermans & Roos Menkhorst, Bibeb. Biechtmoeder van Nederland. Amsterdam, Antwerpen: Querido Fosfor, 2017.

2 Comments

  1. Beste Michiel,
    Knap om zo’n complexe geschiedenis van de Vrije Akademie neer te zetten. Zelf ben ik in 1989 in De Gheyn straat toegelaten, en op de Paviljoensgracht in het nieuwe gebouw begonnen. Fijn om de hele voorgeschiedenis vanaf Livinus van der Bundt tot het directeurschap van Bob in alle volledigheid te lezen.
    Wat ik miste in het verhaal over de VA onder Bob’s directeurschap : de deelnemers en hun motivatie , en betrokkenheid bij de academie was groot . In de beginjaren aan de Paviljoensgracht waren er tijdens het jaar ook ijkpunten waarin deelnemers te horen kregen op grond van werkhouding, en progressie in denken (de onderzoekende beoefening van de beeldende kunst) of ze nog een jaar mochten blijven of een proefperiode van drie maanden verlengd kregen. Al met al heel motiverend om er wat van te maken, en te zorgen dat je door kon gaan op de academie.
    Op een gegeven moment, in de politieke strijd tegen de gemeente Den Haag werd er op instigatie van Bob, een Vereniging van Deelnemers van de Vrije Akademie opgericht. Ondergetekende was daar een tijdje secretaris van. De VDVA werd een gesprekspartner in het Haags Overleg Beeldend Kunstenaars.
    De deelnemers werden fervente aanhangers en voorvechters voor de Vrije Akademie.
    Ze moesten niet naar de vergaderingen van de gemeenteraad, ze gaven uit eigen motivatie graag gehoor aan de oproep er naar toe te gaan.

    verder ben ik in het bezit van (volgens mij) een van de weinige getuigschriften die Bob maakte.
    gedateerd 14 maart 1995 over de periode 1 september 1989 t/m 1 juli 1994 .

    Als je wilt kan ik je dit per separaat email (als ik je mail adres krijg) gescand opsturen

    In de tweede helft van de jaren ’90 werkte ik deeltijd op de administratie , en maakte alles wat je beschrijft over die tijd mee.

    vriendelijke groet, Tineke Porck

  2. Dag Michiel,
    Duidelijk verhaal in een complexe tijd.
    Opmerking(geen aanmerking) doordat Bob Bonies zijn aandacht verplaatste naar de werkplaatsen en zich ook daar liet zien ,veranderde er ook de houding van de deelnemers.
    Voorheen waren het de begeleiders met hun ideeën, maar door deze veranderingen werden de deelnemers ook “mondiger”.
    Na zijn vertrek is het weer verschoven naar tentoonstellingen en projecten enz. werden de werkplaatsen weer ondergeschikt ( maar de begeleiders moeten wel deelnemers genereren ,vanwege inkomsten )
    Dat verklaard ook dat Bob Bonies nu nog een soort”fanclub” heeft ,trouwe deelnemers ,die veel aan zijn aanwezigheid hebben gehad.(zichtbaar op zijn 80 verjaardag )
    Zelf ben ik in 1985 begonnen als begeleider, lithografie, weggegaan omdat het een zootje was, weer teruggevraagd door Frans Zwartjes en tot eind 2011 gebleven.
    Onder Bob Bonies kreeg ik inzage in de verdeling van het geld en kon ik investeren voor de gehele grafiek-afdeling, die zolangzamerhand erg veranderd was door de verhuizing en bleef veranderen door nieuwe milieu eisen en digitaal printen.
    Dit was even heel beknopt mijn toelichting.
    Groet Marijke

Geef een reactie

Required fields are marked *.