Michiel Morel

In het hoofd van…

Bob Nieuwenhuis, alias Bonies (periode 1937 – 1960) (1)

| 4 Comments

Share

03

Een werkbijdrage van het Mondriaanfonds stelt mij in staat het komende jaar onderzoek te doen naar het leven, de kunst en de adviserende, bestuurlijke en politieke activiteiten van de Haagse beeldend kunstenaar Bob Bonies (1937). Als motivatie voor het onderzoek dient een overzicht en analyse van de aard en inhoud van zijn werk, de artistieke uitgangspunten van de kunstenaar en niet in het minst zijn kunstpolitieke activiteiten. Bonies is het meest bekend om zijn constructivistische werk, waarmee hij zich een vooraanstaande plaats in de beeldende kunst heeft verworven, net als de kunstenaars Ad Dekkers (1938 ­– 1974) en Peter Struycken (1939). Begiftigd met een rabiaat redenaarstalent en een onstuimige pen was hij tevens prominent aanwezig in de politieke kunstwereld. In de turbulente jaren zestig was hij voorzitter van de Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars (BBK). In 1972 richtte hij samen met Frans van Bommel de Bond van Beeldende Kunstenaars Arbeiders (BBKA) op, die gestoeld was op marxistische opvattingen teneinde een socialistische maatschappij te vestigen. Meer dan eens voerde hij voor de erkenning van het kunstenaarschap een grimmige en niet zelden onverkwikkelijke strijd uit met ambtenaren en vertegenwoordigers van kunstinstellingen. Bonies was voorts intensief betrokken bij kunstopdrachten en bij de vormgeving van monumentale kunst in de openbare ruimte, op scholen en in bedrijven. En hij was toegewijd aan het kunstonderwijs, onder andere als directeur van de inmiddels opgeheven Vrije Academie. De komende maanden zal ik op mijn website verslag doen van het onderzoek en de voortgang ervan.

30
Installatie Stationsstraat, Den Haag, 2016

Wie het atelier van Bob Bonies in de Haagse binnenstad betreedt, stapt in een dynamische wereld. Bedrijvigheid heerst alom. Bonies’ studio, in de voormalige fourniturenfabriek Kats &Co die hij rond 1980 betrok, is overzichtelijk in diverse compartimenten opgesplitst. Ze herbergen werkbanken, uiteenlopend gereedschap, het meeste ordelijk en met aandacht opgeborgen, kasten met legio modellen, ontwerpen en tekeningen van kunstwerken of kunstopdrachten, al of niet uitgevoerd. Een bescheiden ruimte dient hem als tekenplek, op planken boven zijn werktafel staat de documentatie van zijn kunst, onberispelijk op jaartal geordend, al zijn werken getekend op ruitjespapier: het resultaat van een kunstenaarsbestaan dat inmiddels meer dan zestig jaar omvat. Schilderijen, bestemd voor tentoonstellingen en enkele die aan restauratie toe zijn, tref je in het achterste vertrek aan, keurig in het gelid. Meteen springen ook zijn vele fietsen in het oog: mountainbikes en racefietsen. Bonies is verslingerd aan de fietssport. En dan is er natuurlijk de heldere ruimte, waar de kunstenaar zijn werk vervaardigt. Tijdens een van mijn bezoeken aan hem, begin november, hangen en staan er de schilderijen die zojuist zijn teruggekomen van zijn tentoonstelling bij galerie Hoffmann in Friedberg-Ossenheim, die tevens andere belangrijke Nederlandse kunstenaars als Jan van Munster en herman de vries vertegenwoordigt. Hier exposeerde hij schilderijen, samen met sculpturen van de Zweedse kunstenaar Olle Baertling (1911 ­– 1981). Bonies bewondert Baertlings werk, hij leerde hem persoonlijk kennen in de tijd dat hij in Zweden studeerde. Evenals Bonies’ stijl zijn de beeldhouwwerken van de Zweed geometrisch van aard, opgebouwd uit ranke, stalen pijpen of staven, die in verschillende richtingen de lucht in steken. Vanwege het lineaire karakter doen ze bijna tweedimensionaal aan. Bonies noemde de combinatie van Baertlings beelden en zijn eigen schilderijen zijn finale tentoonstelling. Ik betwijfel het ten zeerste, want ook in het aangezicht van zijn sterfelijkheid blijft Bonies zich hardnekkig en vol energie vastklampen aan het belangrijkste doel van zijn leven: het scheppen van werk dat gezien moet worden.

18. Bob Bonies in atelier 2002
Bonies in zijn atelier, 2002

De kunst van Bonies is concreet, en wordt volgens objectieve regels gemaakt. Niets is concreter dan de lijnen, vlakken en kleuren waarvan Bonies zich bedient: geen imitatie van de alledaagse werkelijkheid, maar een autonome, zuiver abstracte kunst. Nu verschilt het werk van kunstenaars die abstracte kunst maken onderling zeer. De middelen die Bonies hanteert zijn geometrische vormen en concrete primaire, neutrale kleuren. Het blauw in zijn werk is dus niet het blauw van een straalblauwe hemel op een mooie zomerse dag. In de jaren tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog is deze kunstopvatting in verschillende Europese landen in zwang gekomen. Er waren veel pioniers in die tijd, belangrijke en bekende waren zeker Malevitsj, Tatlin, Lissitzky, Mondriaan, Van Doesburg en Moholy-Nagy. Zij formuleerden, min of meer tegelijkertijd en vaak zonder dat zij het van elkaar wisten, een nieuwe manier van kunst maken, met andere esthetische normen en andere motieven, die tal van mogelijkheden toeliet. Bonies bouwt voort op het gedachtegoed van deze Russische constructivisten en vertegenwoordigers van Bauhaus en De Stijl. De essentie in Bonies’ werk is een strikte ordening van een geometrische vorm, maat (meestal rechthoekig, en meer dan voorheen ook cirkelsegmenten) en contrasterende kleuren, met name rood-blauw, blauw-wit, blauw-geel of geel-wit. Veelal zijn ze uitgevoerd als een montage van twee of meerdere kleurvlakken (‘shaped canvas’), die dusdanig contrasteren dat men hun werking op elkaar goed kan beschouwen. Feitelijk bestaan Bonies’ constructies uit delingen, vergrotingen of koppelingen van vormen in overzichtelijke composities. Midden jaren zestig markeert de periode dat Bonies’ lineaire stijl min of meer definitief gestalte kreeg.

Bonies stamt uit een kunstzinnig, ‘well-to-do’ middenstandsgezin. Zijn vader was beroepsfotograaf, bekend om natuuropnames. Als fotojournalist maakte hij ook reportages en hij had een fotowinkel op het Van Hoytemaplein in Den Haag, waar hij ook woonde met zijn gezin. Bob werd daar in 1937 geboren. Het gezin telde vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Bob was de derde op rij. Voor het uitbreken van de oorlog verhuisde het gezin naar Wassenaar, waar het een ruim huurhuis aan de Prinsenweg, hoek Prinses Marielaan betrok. De oorlogsjaren bracht Bob voor een deel door op de Montessorischool. Bij gebrek aan een schoolgebouw waren de kleuterklasjes bij verschillende ouders thuis ondergebracht. Bob zat in het klasje van de familie Paul Schuitema (1897 – 1973), filmer, fotograaf en vooral grafisch ontwerper, bekend vanwege zijn docentschap aan de Haagse Academie. In Bonies’ verdere leven zal Schuitema nog een niet onbelangrijke rol vervullen. Na de oorlog belandde Bob op de Kievitsschool aan de Buurtweg. Hij was er regelmatig te vinden op de zolderverdieping, waar zich het handenarbeidlokaal bevond met veel timmergereedschap. Met zagen, schaven en beitels kon hij al snel enthousiast overweg. Na enige tijd verkaste hij terug naar de Montessorischool, die na de oorlog onderdak kreeg in de villa met de blauwe pannen aan de Pauwlaan in Wassenaar, en die vanaf de Rijksstraatweg zo prominent in het oog valt. En ook daar kwam Bob in het handwerklokaal aan zijn trekken; hij kon er uitgebreid aan modelbouw doen. Vanaf zijn tiende jaar fabriceerde hij al vliegtuigjes, eerst met propellers, later ook met dieselmotortjes. Hij deed zelfs aan wedstrijden mee, en ging naar vliegtuigbouwkampen. Over aerodynamica hoefde je hem niets te vertellen, het ontwerpen en in elkaar zetten van modellen en maquettes voor grote kunstopdrachten waren later dan ook ‘peanuts’ voor hem. Bij opdrachten met als thema ‘de vliegwereld’, die hij later op de Högre Konstindustriella Skolan in Stockholm moest uitvoeren, heeft hij daar zeker profijt van gehad.

17 18
Opdracht op de HKS, Stockholm: ontwerp voor een vliegveld (l)
en de getekende reconstructie daarvan, 1958 (r)

In zijn jeugdjaren was Bob een boefje. Kinderen uit lagere klassen kon hij behoorlijk pesten door ze aan bomen vast te binden. Vriendjes leerde hij hoe je met carbid moest omgaan, schieten met katapults was bij tijd en wijle ook een favoriete bezigheid. Na de lagere school belandde hij op het Rijnlands Lyceum in Wassenaar. Theoretisch onderwijs lag hem niet, hij bakte hij er niet veel van. Zelf noemde hij die periode een debacle, omdat hij te weinig aansluiting bij het reguliere onderwijs kon vinden. En hij verveelde zich stierlijk. Bobs interesse ging vooral uit naar het tekenen, en daar scoorde hij tienen mee. Het liefst wijdde hij zich aan het fietsen of schaatsen, waar hij in de strenge winter van 1947 zeer enthousiast voor geraakte. Al snel kwam hij op de jeugdopleiding van de Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijders Bond (KNSB), gewest Zuid-Holland, en placht hij om zes uur ’s ochtends in het donker naar de Haagse Houtrusthallen te fietsen, waar hij onder leiding van Kees Broekman (1927 – 1992) training kreeg. Broekman zou in 1953, op de dag van de watersnoodramp, nog Europees kampioen worden. Bonies werd een begenadigd schaatser die drie Friese Elfstedentochten en menige alternatieve Elfstedentocht in Canada en Finland schaatste, het type van een stayer, die maar door- en doorgaat in een bepaalde ontwikkeling. Later zou hij erover zeggen: ‘Dan bereik je een moment waarop je je mentaal afzondert van de rest, en dan wordt het pas interessant, zowel in de kunst als in de duursport’. Die ‘stayersmentaliteit’ heeft er zeker toe bijgedragen dat hij het in de beeldende kunst ver heeft geschopt, en niet alleen daarin. Later zal blijken dat Bonies over een behoorlijke vechtersmentaliteit beschikt, die hem op verschillende fronten van pas zal komen.

10 27
16
Bonies met een van zijn beelden op de Högre Konstindustriella Skolan, 1958 (lb)
Sculptuur, 1959 (rb)
Schildering t.g.v. een feest op het Rijnlands Lyceum in Wassenaar, 1959 (o)

Na twee jaar hield hij het op het Rijnlands Lyceum voor gezien. Een opleiding om een vak te leren lag voor de hand. Ook een kunstzinnige opleiding, zeker in het licht van het beroep van zijn vader. Eerst kwam hij terecht op de lts in Den Haag, aan de Zwaardstraat (het gebouw is een juweeltje van architect Jan Duiker (1890 – 1935), waar hij aan metaalwerken deed. Maar daar werd snel duidelijk dat Bobs interesse veeleer in een kunstzinnige richting ging. Dus zette hij in 1956 zijn eerste schreden op het kunstenaarspad, en wel op de Vrije Academie aan de Haagse Hoefkade, waar de oprichter en avant-garde lichtkunstenaar Livinus van de Bundt (1909 – 1979) de scepter zwaaide. Van de Bundt was vooral bekend om zijn lichtkunst, waarmee hij driftig experimenteerde. Bonies herinnert zich gesprekken met Livinus, waarin die te kennen gaf dat Bonies het ‘academisch’ tekenen moest afleren en dat hij niet alles ‘mooi moest namaken’. Bij Livinus ging het erom je onderwerp weer te geven door vanuit jezelf te werken. Op de Vrije Academie leerde Bonies vooral ruimtelijk werk te ontwikkelen. Zo maakte hij zich de kunst eigen om met mallen en vormen objecten in beton te maken. Bonies zegt er zelf over dat hij zich op de Vrije Academie bewust werd van zijn interesse om zelf ‘dingen’ te maken. Livinus’ leidraad, ‘de steeds zoekende beoefening van vrije beeldende kunst’, lijkt Bonies daar op vruchtbare wijze te hebben toegepast. Tussen 1988 en 2001 zou hij er als directeur en begeleider zelf aan het roer staan.

Via de Vrije Academie kon Bonies als ‘hospitant’ ook lessen op de Academie van Beeldende Kunst -HTS volgen. Dat werd in die jaren door meerdere kunstenaars in spe gedaan. Op de ABK werd hij voor het eerst geconfronteerd met datgene wat als kunst beschouwd werd. In boetseren en beeldhouwen kreeg hij er les van de beeldhouwer Dirk Bus (1907-1978). Bus was een traditionele leermeester, hij hield ervan bekende Griekse beelden uit de kunstgeschiedenis te kopiëren. Bonies’ ambitie ging echter verder, niettemin heeft hij bij hem de technische kneepjes van het vak geleerd, zoals het opzetten van een armatuur, om daar vervolgens een portret omheen te boetseren. De lessen op de Haagse Academie ervoer Bonies als een ‘artistieke bedoening’ en hij begreep al direct dat je niet veel verder zou komen als je uitsluitend interesse had in hetgeen hij als kunst ervoer. Hij wilde zijn vleugels verder uitslaan en een bredere opleiding zoeken, bijvoorbeeld in vormgeving, materialenleer, kennis van productiemethodes en dergelijke. Die vond hij in 1957 in Zweden. Twee jaar eerder was Bonies, min of meer toevallig, al in dat land terechtgekomen. Eerst in het glasdistrict Boda, later in de plaats Ljusdal, waar hij schetsen en tekeningen maakte die hij er zelfs al kon exposeren.

15 26
Beeld, 1959 (l)
Hangend reliëf, 1960 (r)

In 1957 begon hij in Stockholm aan de Konstfackskolan. Daar stond het onderwijs in brede zin centraal, met de nadruk op het leren werken met uiteenlopende materialen als glas, textiel, aardewerk, hout en metaal. Bonies bleek over voldoende artistieke aanleg te beschikken om tot de Högre Konstindustriella Skolan te worden toegelaten, waar hij twee jaar lang lessen in vormgeving volgde. Die afdeling werd geleid door de Deense kunstenaar Egon Möller-Nielsen (1915 ­– 1959), die al naam had gemaakt in het functioneel toepassen van kunst in de gebouwde omgeving. Bonies werd zijn assistent. De ervaringen die hij er opdeed zouden hem later bij zijn eigen monumentale kunsttoepassingen in de publieke ruimte goed van pas komen. Hij experimenteerde er met verschillende stijlen, zowel figuratief als abstract. Hoewel Bonies min of meer toevallig in Zweden verzeild raakte, was het in die periode een aantrekkelijk land om te studeren, het onderwijs stond op een hoog niveau en er was een markt voor beeldende kunst. Op diverse tentoonstellingen in Stockholm was al oudere en nieuwe constructivistische kunst en geometrisch-abstract werk te zien. En de kunstwereld was er in beweging. Bonies maakte er in 1958 de opening van het Moderna Museet mee, een initiatief van met name Pontus Hultén (1924 – 2006) en Oscar Reutersvärd (1915 – 2002), een veelzijdige Zweedse kunstenaar die bekend stond om zijn abstracte ontwerpen van onmogelijke figuren: eindeloze trappen, vernuftige doolhoven en de penrose-driehoek. Als organisator van tentoonstellingen zal Bonies het werk van Reutersvärd later in verschillende exposities in Nederland en België tonen. Het Moderna Museet ontpopte zich onder leiding van Pontus Hultén meteen als een progressief museum, niet alleen met tentoonstellingen maar ook met filmvertoningen en concerten. In samenwerking met het Stedelijk Museum in Amsterdam organiseerde Hultén in 1961 de inmiddels beroemde tentoonstelling Bewogen beweging, met kinetische kunst, die de fysische beweging als uitdrukkingsmiddel had en die de grenzen van de kunst aanzienlijk verruimde1. Hultén werd een belangrijke tentoonstellingsmaker die aan de wieg van menig museum van moderne kunst stond, met name in de Verenigde Staten. En hij was geruime tijd directeur van het Centre Pompidou in Parijs.

08 penrose_triangle
13 14
24 24a
Metaalplastiek, 1957 (lb)
Oscar Reutersvärd, Penrose-driehoek (rb)

Tekeningen, op de HKS, Stockholm 1959 (midden)
Kunstopdracht: ontwerp en uitvoering van hekwerk in Hägersten, 1958/59 (o)

Bonies benutte zijn studieperiode in Zweden opmerkelijk vaak voor het maken van driedimensionale objecten. Uit documentatie uit die periode blijkt dat hij sculpturen vervaardigde waarin nogal eens de suggestie van beweging wordt gewekt. Niet alleen gebruikte hij traditionele materialen als hout, steen en klei, maar ook verschillende soorten metaal. Enkele uit witte steen gehouwen beelden tonen sterk geabstraheerde figuren, die een zekere verwantschap met primitieve kunst vertonen en een eigentijds voorkomen hebben. In metalen sculpturen, waarin hij een aspect als rotatie toepaste, weet hij een grote ruimtelijkheid te bereiken. In het hier linksonder afgebeelde werk uit 1958 zitten aanwijsbare constructivistische kenmerken: het toepassen van lijnen en vlakken en het gebruik van divers materiaal. Van figuratie is geen sprake. De constructiewijze is duidelijk afleesbaar: twee langgerekte bladen metaal, in het midden circa 10-12 cm breed die aan de uiteinden in een punt eindigen. Van elk blad zijn de uiteinden naar elkaar toe gebogen, waardoor een soort ellipsvormen ontstaan. Het ene blad heeft een iets grotere binnenruimte dan het andere, waardoor de plattere ellips door de boller gevormde kon worden geschoven. De puntige uiteinden wijzen diagonaal naar boven. Om alles in de juiste verhouding vast te zetten, gebruikte Bonies dunne metalen staven, wellicht geïnspireerd door het werk van Olle Baertling. Ze vallen nauwelijks op, waardoor het op afstand lijkt of ze los in de ruimte zweven. Het voetstuk heeft de vorm van een schans, die speciaal voor deze constructie lijkt te zijn ontworpen. Naar eigen zeggen vertoonde deze metaalplastiek verwantschap met de inkttekeningen waarop hij zich in Zweden ook toelegde.

11 23
Bonies bij de hierboven beschreven sculptuur, 1958 (l)
Opdracht op de HKS voor een ontwerp van een beeld voor SAS, 1958/59 (r)

Die bestonden voornamelijk uit enigszins rafelige lijnen als verbindingen tussen organisch aandoende vlakken, ook weer om beweging te suggereren. Voor een ontwerpwedstrijd van Scandinavian Airlines vervaardigde Bonies in 1957-58 een gipssculptuur, die in cement werd uitgevoerd. Het lijkt op de schoepachtige, roterende vorm van een vliegtuigmotor, en doet denken aan werk van de Russische kunstenaars Antoine Pevsner (1884 – 1962) en zijn broer Naum Gabo (1890 – 1977), beiden exponent van de constructivistische beweging in de beeldhouwkunst, en pioniers van de kinetische kunst. Hun werk ‘beweegt’ zich ook dikwijls vanaf een verticale as in de ruimte. Opmerkelijk is een foto van een ander beeld, die Bonies in zijn atelier heeft hangen. Het bestaat uit twee delen: boven een geabstraheerd beeld van een vliegtuig in de daling naar de landingsbaan, onder een groep wachtende passagiers, in beton gegoten. Onlangs reconstrueerde hij het beeld in een modeltekening op het bekende ruitjespapier. Zoals de afbeelding toont, is het een voorbode van zijn verdere werk. Maar Bonies vervaardigde in Zweden ook non-figuratieve, lyrisch-abstracte gouaches, waarin hij in lijn, vorm en kleur een bepaalde stemming leek uit te drukken, die iets met de natuur in het Noordse land van doen hebben. In ieder geval lag er een zekere dualiteit van spontaniteit en discipline aan ten grondslag. De discipline lag in momenten van reflectie, waarmee hij controle over de compositie hield. Van deze gouaches wist hij hier en daar een behoorlijk aantal aan de man te brengen, zoals blijkt uit een schriftje uit 1960, waarin hij exact noteerde waar zij terechtkwamen. Niet alleen bij particulieren in Nederland, Zweden en Canada, ook bij galeries in Stockholm, Gothenburg en Oslo. Dat Bonies in Zweden werk maakte dat in stijl varieerde, is niet zo verwonderlijk. Hij was per slot van rekening pas 20 tot 23 jaar.

19
20 21
Peinture, tekening op de HKS, 12 januari 1960 (boven)
Afstudeerproject, HKS, 27 maart 1960 (o)

Na het succesvol afronden van zijn opleiding aan de Högre Konstindustriella Skolan exposeerde Bonies in galerie Observatorium in Stockholm abstracte bladvullende inkttekeningen in zwart-wit, waarop vlakken door rafelige lijnen met elkaar verbonden werden. Hij typeerde ze zelf als ‘informeel’, maar ze hadden weinig van doen met de informele kunststroming in Nederland. Een verzamelaar kocht al het geëxposeerde werk van Bonies aan. In deze periode wijzigde hij zijn artiestennaam in Bonies, een samenvoeging van Bob en zijn familienaam. ‘Nieuwenhuis’ bleek in Zweden toch een wat moeilijk uitspreekbare naam. Mede door het succes van deze expositie besloot hij zich als vrij kunstenaar te vestigen. Inmiddels had hij in zijn opleiding de nodige ervaring opgedaan in het ambachtelijk werken met uiteenlopende materialen en technische productieprocessen. En de opleiding aan de Högre Konstindustriella Skolan in Stockholm had hem een flinke dosis artistieke kennis en vaardigheden op het gebied van design en ontwerpen bijgebracht. Bonies zal in latere jaren nog menigmaal naar Zweden reizen.

1) Over ‘Bewogen beweging’ schreef Hultén: ‘Wij hebben nog nooit bij de voorbereiding van een tentoonstelling zoveel en zo indringende vragen moeten beantwoorden, als nu over ‘Bewogen beweging’; misschien wel omdat dit thema thans zo voor de hand ligt, of ook omdat dit onderwerp de attractie van het aanstootgevende heeft, iets dat anders alleen bij de film voorkomt. Maar zou er niet in de kinetische kunst voldoende energie steken om juist de band tussen kunst en publiek nauwer aan te halen?’.

32 29
Schilderij 1960, Particuliere Collectie (l)
Op naar de jaren zestig (r) 

Voor dit artikel heb ik de archieven geraadpleegd van de kunstenaar, het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis RKD, het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en het Haags Gemeentemuseum. Voorts heb ik gesprekken gevoerd met Bonies en personen die mij meer over vroeger konden verhalen. Ik raadpleegde met name de volgende literatuur, waaruit ik ook citeerde:

  • Varianten. Abstract-geometrische kunst in Nederland. Amsterdam: Nederlandse Kunst Stichting, 1973.
  • Historieboken. Om Moderna Museet 1958 – 2008. Stockholm: Moderna Museet, 2008.
  • Jeanette van der Velde, Bob Bonies. Concreet Constructivist in denken en doen. Masterscriptie Beeldende Kunst 1800 – heden, 2009.

Klare Taal
Werken van Bonies in tentoonstelling ‘Klare taal’, galerie Locus Solus, Antwerpen, 2012

logo_print

4 Comments

  1. leuk en goed om te lezen, weten wat meer (nog meer) van hem
    dus af en toe ook stoute jongen!! kleintjes aan bomen vast binden!!

    mooi dat er een onderzoek/publicatie komt

    blijven je volgen

  2. mooie geschiedenis

  3. Goeie tekst Michiel. De passage over carbid schieten verklaart veel van zijn latere acties.

  4. goede verslaglegging van een rijke aanloop naar een heldere toekomst als kunstenaar Voorbeeld-verhaal. Succes met vervolg.

Geef een reactie

Required fields are marked *.